Van kaas kunst maken.

Het artikel `Een lustoord voor engagement. Kunstenaars onderzoeken het nieuwe Europa' van Anna Tilroe (Cultureel Supplement, 23 april) roept vragen op en wekte mijn ergernis. Tilroe doet in het eerste deel verslag van een internationaal symposium waar gediscussieerd werd over `de grote veranderingen die zich nu voordoen in kunst en cultuur'. Tilroe stelt vast dat niemand van de tachtig deelnemers het vermogen van de kunst om ook buiten het systeem (dat volgens haar door de markt, betweterige critici en internationale curatoren wordt gelegitimeerd) als kunst te kunnen opereren in twijfel trekt. Valt niet zo'n negentig procent daarbuiten? Werken niet steeds nieuwe critici en curatoren aan het inlijven van altijd maar weer nieuwe kunst van steeds jongere kunstenaars? Tilroe geeft als voorbeeld van buiten dit systeem functionerende kunst een softwareprogramma van Polak en Auzina met als uitkomst dat kaas ,,plotseling een complexe sociale en geopolitieke geschiedenis blijkt te hebben''. Wat doet Tilroe met deze beschrijving meer dan met behulp van een aantal aan de gamma-wetenschappen ontleende termen mystificaties te creëren om op die manier van de herkomst van kaas kunst te maken?

Aan het einde van haar artikel heeft Tilroe het over een opvangproject voor illegalen. Kunst als sociale of politieke activiteit. De initiatiefnemers beweren nadrukkelijk dat zij hiermee géén kunst bedrijven, maar Tilroe ziet in deze illegalenopvang ,,een experiment waarbij culturen zich vermengen en het idee van nationaliteit wordt ontmaskerd als discriminerend. Het moet toch mogelijk zijn om los van welke nationaliteit dan ook, burger te zijn?'' Een poging tot inlijving in het systeem, die mystificerend is, naïef en ergerlijk.

Ten opzichte van Tilroe's op zichzelf niet onaardige definitie van kunst vraag ik me ten slotte af: als zij vormgeving belangrijk acht, waarom ontbreekt in haar betoog dan elke referentie aan begrippen als esthetiek, schoonheid en wreedheid, troost en ontroering?