Tot de sleur ons zal scheiden

De afgelopen tien jaren schreef Herman Franke tussen de bedrijven door met enige regelmaat korte, overzichtelijke verhalen. Dat deed hij waarschijnlijk om de pols een beetje los te houden, om zijn hoofd op te frissen, of om even niet te hoeven nadenken over zijn breed opgezette, meerstemmige romans, De verbeelding (1998), en Wolfstonen (2003). Een bloemlezing uit deze mini-verhalen, van ieder gemiddeld twee bladzijden, bundelde hij onder de titel Notulen.

Korte maar krachtige episodes worden erin beschreven uit de levens van verschillende, anonieme mensen. Een enkele keer draait het om een oude moeder en een zoon, of om een fietser die achterna wordt gezeten door een ziedende automobilist, of om een levensmoede dame in een bejaardentehuis, maar het overkoepelende thema van het bundeltje zou je de liefde kunnen noemen, de liefde tussen man en vrouw. Of liever gezegd: het ontbreken van de liefde tussen man en vrouw. Wat Franke graag laat zien is de sleur die optreedt nadat de liefde tussen twee mensen grotendeels is opgebrand, maar ook voor andere varianten van liefdesleed draait hij zijn hand niet om.

Het gaat in Notulen dus om voorbije liefde, vergeefse liefde, hopeloze liefde, verhoopte liefde, verkwanselde liefde, tanende liefde, versmade liefde en onbeantwoorde liefde. Hoe luchthartig deze verhalen er ook uit mogen zien, in al hun knisperige kortheid en in hun droge, grappig directe manier van zeggen, Franke verloochent zijn uitgangspunten als schrijver niet. Geamuseerd en met enig mededogen, maar toch vooral ook wenkbrauwfronsend wordt hier de mens bekeken, met al zijn beperkingen, zijn gewoontes, zijn angsten, beheptheden, frustraties en aandriften. Steeds opnieuw `notuleert' Franke hoe de meest simpele ontmoeting of conversatie al kan ontsporen, zelfs of misschien juist als twee mensen elkaars geliefden zijn. Ze begrijpen elkaar niet omdat ze hopeloos opgesloten zitten in hun eigen denkwereld. In een van de verhalen zegt een man, in opperste wanhoop, tegen zijn vriendin dat hij niet meer van haar houdt en gooit hij haar de ergste dingen voor de voeten: `Je bent oud, lelijk en chagrijnig geworden', voegt hij haar toe, tot zijn eigen ontzetting. `Alles wat je zegt en doet heb je al eerder gezegd en gedaan. Jouw leven [...] sleept zich futloos voort naar het einde. Ik ga een vrouw zoeken die niet elke dag ,,ja, ja'' zucht, voordat ze gaat slapen.' Maar zij is al zo futloos, zo afgestompt geworden, dat zij niet eens meer luistert naar wat hij zegt. Het moment van de waarheid gaat voorbij en zij zegt zuchtend `ja, ja' en gaat dan naar bed. En hij gaat braaf naast haar liggen.

Terwijl Franke zijn grote drama's en catastrofes aan het uitwerken was, zette hij bij wijze van tussendoortjes alvast wat mini-drama's en -catastrofes in de week. Het aardige van deze Notulen is dat ze door hun suggestieve beknoptheid niet al te zwaar op het gemoed van de lezer drukken en dat er, dankzij Frankes droogkomische stijl, ook vaak te grinniken valt om het kennelijke onvermogen van de mens om te ontkomen aan de sleur en de verveling van alledag. Neem nu de man die heeft besloten om zijn leven een nieuwe wending te geven door een jaar het klooster in te gaan, met alle onthouding van dien. Als hij met verse herinneringen aan de voorlopig laatste nacht met zijn vriendin bij de poort van het klooster is aangekomen en denkt aan de `wereldvreemde rust en kuise contemplatie' die zijn deel zullen zijn, raakt hij alsnog in paniek. Hij geeft een straal gas en scheurt weg, terug naar zijn vriendin. Laatste zin: `Zij kon er niet om lachen.'

Of neem de vrouw, in weer een andere episode, die van haar man afwil, maar hem de eer wil gunnen om zelf de relatie te verbreken. Je zou natuurlijk ook kunnen zeggen dat ze te laf is om het zelf te doen. Ze probeert hem te sarren met overdreven liefdesverklaringen. Maar haar methode lijkt niet erg effectief. Als ze weer eens tegen hem zegt hoeveel ze van hem houdt, dan schrikt ze van de warmte en overtuigingskracht van haar stem. `Als ze niet beter wist, zou ze zichzelf geloven.'

Een zeker sadisme is Franke, deze 56 `Notulen' overziend, niet vreemd. Moedwillig, voor het leuke effect, onthoudt hij zijn verhaalfiguren die ene faculteit waarover hij zelf als schrijver zo royaal beschikt: inlevingsvermogen. Bijna iedereen leeft hier in zijn of haar eigen piepkleine universum zonder weet van of begrip voor de noden van de ander. De mannen weten niet wat er in de vrouwen omgaat en de vrouwen snappen niet wat die mannen nu eigenlijk willen. Het scherpst wordt dat wederzijdse onbegrip beschreven in het verhaal over een jonge vrouw en een drugsverslaafde. De vrouw is aan de kant gezet door haar vriend en is in een `baldadig kort rokje' de straat opgegaan om aan alle andere mannen te laten zien dat zij heus wel de moeite waard is. De junk reageert, anders dan andere mannen, niet op haar flirtsignalen en heeft alleen maar oog voor haar glimmende, nieuwe fiets. Daar neemt zij geen genoegen mee. Door overdreven voorover te buigen bij het op slot zetten van haar fiets, laat ze haar billen nog beter uitkomen. Maar de junk is uitsluitend in potentiële koopwaar geïnteresseerd en niet, of althans niet meer in verleidelijke damesbillen. Hij wendt zijn blik af. `Wellicht', zo staat er dan, `konden zijn ogen niet langer verdragen dat zich een vergane verlokking tussen hem en die fiets drong.' Mooi ironisch en toch met enige deernis. Hoe uitzichtlozer de situatie, hoe welgemeender de pen van de notulist.

Herman Franke: Notulen. Podium, 128 blz. €11,–