Toen Jahweh nog een meisje had

Ook het heidendom kende zijn tirannen, maar monotheïsme en onderdrukking gingen eeuwenlang hand in hand. Dat besef maakt de mooie, aanbevelenswaardige studie van Jonathan Kirsch over de strijd tussen God en de goden tot een deprimerend boek.

We must try to find a new answer

instead of a way

(Jim Morrison,

Whiskey & Mystics & Men)

Op pagina 264 staat het, in het hoofdstuk gewijd aan Julianus (331-363), bijgenaamd Apostata – de afvallige – de laatste heidense keizer van het Romeinse rijk, die het christendom als officiële staatsreligie afschafte en de heidense religie in ere herstelde. Tijdens de oorlog tegen de Perzen nam hij voor zichzelf als oorlogsbuit slechts `drie gouden munten en een doofstomme jongen die zich elegant met zijn handen uitdrukte', zoals de geschiedschrijver en ooggetuige Ammianus meldt. Wat een kostelijk detail om 's mans ascetisme te beschrijven!

Op dat moment sprong het hart van deze lezer even op. Want God Against the Gods. The History of the War Between Monotheism and Polytheism van Jonathan Kirsch is mooi en aanbevelenswaardig, helder geschreven en aantrekkelijk verteld, maar toch een deprimerend boek. Deprimerend omdat tijdens het lezen plotseling het besef gloort hoe actueel het boek is, al bestrijkt het de tijd van 1364 voor Christus, de periode van Akhnaton (gestorven ca. 1347 v.C.), de eerste monotheïst, tot 415 na Christus, toen het christendom zich bloederig en gewelddadig definitief had gevestigd.

De pogingen van genoemde Julianus om het christelijk monotheïstisch geloof terug te dringen en alle geloven op basis van gelijkheid te erkennen, waren mislukt. Kirsch schrijft met onverholen bewondering over deze keizer, met zijn lelijk voorkomen, lange baard waarin luizen rondsprongen als was die `een struikenbos voor wilde beest', zoals hij zelf schreef, en vingers die altijd zwart waren van de inkt. Julianus was tevens een begenadigd schrijver en satiricus. Het aan hem gewijde deel is het mooiste, en tevens de climax van het boek.

Kirsch eindigt zijn boek nog optimistisch door te stellen dat de godsdienstvrijheid in het Westen de verwezenlijking is van het polytheïstisch ideaal van Julianus. Dit is opvallend omdat velen hameren op de christelijk-joodse basis van de westerse maatschappij en onze minister-president zich inzet om God in de Europese grondwet te wurmen (O schaamte! Waar is je blos?). Maar dat is de essentie van zijn boek en van de strijd tussen het polytheïsme en monotheïsme, aan de ene kant religieuze diversiteit en tolerantie en religieus rigorisme (extreme strengheid in geloof en geloofspraktijken) aan de andere kant respectievelijk 360 goden en godinnen tegenover de ene, ware God. Het islamitisch fundamentalisme in de huidige tijd, ook binnen Europa, vertegenwoordigt het lelijkste aspect van het monotheïsme.

Eerst ontdoet Kirsch de term paganisme, heidendom, van zijn pejoratieve connotaties. Pagan stamt van het Latijnse paganus, dorpeling en bij uitbreiding boerenkinkel, maar in militaire zin betekende het burgerman, iemand die, in tegenstelling tot een soldaat, niet ten strijde trok, maar achterbleef. En het is in de zin van achterblijver dat de christelijke schrijvers het woord gebruikten: de christelijke rigoristen beschouwden zichzelf als soldaten van de ene, ware God en wie weigerde de wapens op te pakken in de heilige oorlog die het geloof voor hen was, was een achterblijver, een jantje-van-leiden, een `paganus'.

De negatieve connotatie die aan de term kleeft is geheel onterecht, want het heidendom is, volgens een omschrijving van de historicus Ramsay MacMullen, een `sponzige massa van tolerantie en tradities'. Natuurlijk kende het heidendom zijn intolerante figuren, van wie Nero (die leefde van 37 tot 68) en Antiochus IV (215-164 v.C.) wel de meest weerzinwekkende voorbeelden zijn. Deze koning van Syrië en bezetter van het land Judea probeerde met geweld de joden het hellenisme op te dringen en was verantwoordelijk voor het ontstaan van het begrip martelaar (letterlijk: getuige) toen een langdurige guerrilla van de joodse zeloten, de Maccabeeën genaamd (van maccabee, hamer) zijn bewind omverwierp.

Maar de kern van het heidendom of polytheïsme is diversiteit, iedereen kon een god of godin naar eigen keuze aanbidden. Goden en rituelen van verschillende culturen werden gemengd of ingelijfd, een fenomeen dat syncretisme wordt genoemd. Er was dus vrijheid van aanbidding en geloofspraktijk, anders dan onder monotheïstische religies. In de islam is shirk, het aannemen van een god naast Allah, de grootste zonde en die dient met de dood te worden bestraft. En hoewel Alexander de Grote bijvoorbeeld zijn oorlogen niet zonder bloeddorst voerde en van zijn overwonnen tegenstanders slaven maakte, heeft hij nooit iemand vervolgd wegens zijn geloof. Alexander was overigens de succesvolle verspreider van het hellenisme onder de joden; in de tweede eeuw voor Christus bestudeerden zij ijverig het Grieks. Zo graag wilden zij Hellenen zijn dat ze zelfs hun toevlucht namen tot een primitieve vorm van plastische chirurgie om te verbergen dat ze besneden waren.

Een andere kernwaarde van polytheïsme komt meer tot uitdrukking in de politiek dan in religie. De oudste politieke tradities van Rome, evenals van het oude Griekenland, schrijft Kirsch, was dat geen individu het recht had om als autocraat te heersen. Gedeelde macht was het motto. Griekenland was uiteindelijk de geboorteplaats van een primitieve democratie.

Totalitarisme en monotheïsme gingen al bij Akhnaton hand in hand. Deze farao heette oorspronkelijk Amenhotep IV, maar veranderde zijn naam in Akhnaton (`Glorie van Aton') toen hij het polytheïsme afschafte en beval één god te aanbidden, Aton. Aton betekent zonneschijf en werd geassocieerd met de zon. Een hymne gewijd aan Aton, misschien door Akhnaton zelf geschreven, begint met de volgende regel: `O enige God, er is geen andere God dan U' – hetgeen doet denken aan de geloofsbelijdenis van moslims.

Volgens sommige wetenschappers is het solaire beeld dat opduikt in de psalmen – `U bent gekleed in glorie en majesteit, gehuld in een gewaad van licht; U spreidt de hemelen als een tentdoek' – een teken niet alleen van beïnvloeding door de Egyptische teksten, maar zelfs een vertaling van die teksten. En zouden de woorden Aton en Adonai niet dezelfde oorsprong hebben? En er is geopperd dat Jezus aan het kruis niet Eli aanriep maar Helios, de Zonnegod. Volgens Sigmund Freud was Mozes een priester in dienst van Aton die de Israëlieten tot het nieuwe monotheïsme van de farao bekeerde na diens dood, toen de Egyptenaren hun oude veelgoderij hervatten. Monotheïsme is naar alle waarschijnlijkheid een Egyptische en niet een joodse uitvinding. En volgens Freud was Mozes geen jood, maar een Egyptenaar.

Bij Akhnaton ontstond een ander nieuw fenomeen in de historie van de religie: de fusie van politiek en religie tot een machtig wapen in de handen van één man. Hij was wat dat betreft een voorloper van Mohammed.

Het probleem dat polytheïsten hadden met monotheïsten was de onwil van laatstgenoemden om andere goden zoniet te aanvaarden, dan in elk geval te respecteren. Joden en christenen beschouwden de heidense goden als demonen en duivels, of, zoals de profeet Jeremia het zegt, `on-goden'. Dit exclusivisme is kenmerkend voor het monotheïsme. De meest fervente monotheïsten hebben altijd mensen buitengesloten die hun ware geloof niet aanhingen. In moderne tijden is het gemak waarmee islamisten anderen tot ongelovigen uitroepen tekenend. De bijbel waarschuwt voor mensen die aan demonen offeren: `Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man.' (Deut.32:25)

De Greco-Romeinse heidenen waren bereid elke nieuwe god te aanvaarden, ze lijfden zelfs Jahweh in en noemden hem Iao. Afvalligheid was hun vreemd. Een keizer had in zijn persoonlijke kapel standbeelden van Abraham, Orfeus, Apollonius en Christus. Het was een kwestie van religieuze verzekering. Het ging erom elke god tevreden te stemmen. De onwil van christenen om andere goden te accepteren werd door de Romeinen gezien als een bedreiging van de Pax Deorum, de vrede van de goden.

Een simpel offer aan een van de vele goden werd door de Romeinen gezien als een burgerplicht en de weigering van joden en christenen om aan deze burgerplicht te voldoen was wat de Romeinen schokte. Deze onwillige gelovigen werden dan ook atheïsten genoemd. Deze term werd aanvankelijk en ironisch genoeg dus voor de christenen gebruikt. Maar goed: gehenna, de hel, was oorspronkelijk de naam van een vuilnisbelt buiten Jeruzalem.

Ook de weigering van Mohammed om in elk geval drie van de 360 goden te erkennen, te weten Al-Lat, Oezzah en Manaat, stuitte de aristocraten van de machtige clan van Mekka, Qoeraysh, tegen de borst. De reden voor de weigering van de erkenning van deze drie godinnen, die door de pre-islamitische Arabieren werden aanbeden als de dochters van oppergod Allah, zoals opgetekend in de koran, is amusant: `Hebben jullie zonen en Hij dochters?' Wat een wrang gevoel voor humor vertoont Allah hier, maar het punt is dat hij ze niet erkent omdat ze van het vrouwelijke geslacht zijn. Met andere woorden: als Allah al een nageslacht zou willen, dan verkoos hij zonen.

Misogynie is een andere oorzaak voor de minachting van monotheïsten voor het polytheïsme. Het heidendom kende zowel vrouwelijke als mannelijke goden en kende functies toe aan zowel mannen als vrouwen in hun rituelen. Tegenover de ene, ware God, een man, een Einzelgänger en een vrijgezel, en zijn mannelijke priesters staat de polytheïstische traditie die het feit erkende en eerbiedigde dat de mensheid bestaat uit feminiene en masculiene elementen. Sterker nog, de dierbaarste goden waren vrouwelijk: Fortuna, Afrodite, Ishtar, Astarte, noem ze maar op. Monotheïsten moeten het doen met Eva, die verantwoordelijk is voor onze erfzonde, en Maria, een maagd. Lilith was een demon.

Het goede nieuws is dat God ooit een vrouw moet hebben gehad. In Kuntillat Ajrud, een plek in de woestijn van Sinaï is een keramische kruik gevonden die stamt uit de late negende eeuw voor Christus. Het monotheïsme was daar toen al vier eeuwen gevestigd, volgens de Torah. De inscriptie op de kruik luidt als volgt: `Ik zegen u bij Jahweh en bij zijn Asherah'. De godin Asherah, gesymboliseerd door een bloeiende boom, wordt in de Bijbel genoemd, maar enkel als een kwade en verachtelijke demon – de liefde was blijkbaar over. Maar deze vondst blijkt aan te duiden dat zowel de Israëlieten als de heidenen van Kanaän de godin Ahserah aanbaden. En hoewel van Jahweh bekend is dat hij zich niet met vrouwen inlaat en geen kinderen voortbrengt, moeten de antieke Israëlieten geloofd hebben dat goden altijd in paren kwamen.

Deze felle intolerantie jegens een voormalige gezellin steekt schril af bij de verdraagzaamheid van heidenen. Religieuze verdraagzaamheid en erkenning van het christendom als volwaardige religie vinden we onder het bewind van Constantijn de Grote (247-337), stichter van Constantinopel, een heiden die zich op zijn sterfbed liet dopen, hoewel hij het christendom al omhelsde na het zien van een visioen (volgens een andere bron was het een droom) van het symbool van de gekruisigde Jezus en de woorden in hoc signo vinces, in dit teken zul je overwinnen.

Er is veel gespeculeerd over wat Constantijn precies heeft gezien. Volgens gelovigen was het een mirakel en verdere verklaring niet nodig. De aardse verklaring is tevens de meest poëtische: het visioen is volgens wetenschappers het resultaat van het spel van licht op de ijskristallen in de atmosfeer, een fenomeen dat het effect produceert van een kruis op een halo.

In het jaar 313 stelden Constantijn en zijn zwager Licinius het Edict van Milaan op waarin zij zowel het heidendom als het christendom in ere herstelden. Alle goden en godinnen mocht vrijelijk aanbeden worden en de christelijke god werd op een lijn gesteld met Apollo, Isis, Miothra en andere godheden. De vervolging van christenen, die in 303 begon onder het bewind van Diocletianus (245-316) en dezelfde tactieken gebruikte die de latere Inquisitie zou gebruiken, behoorde nu tot het verleden. De christenen kregen `complete en totale vrijheid om hun godsdienst te belijden' en iedereen had het recht om de god van eigen keuze te aanbidden. Het edict is in de kern heidens, omdat het de acceptatie inhoudt van alle goden `opdat alles wat goddelijk is in de hemelse zetel vredig en voorspoedig jegens ons zal zijn en jegens hen onder onze autoriteit.' Het doel van de twee heersers was om de pax deorum te herstellen.

Toen de christenen gevrijwaard waren van vervolging van staatswege, begonnen ze elkaar te vervolgen. Er ontstonden schisma's en de term heresie (van het Griekse woord voor `kiezen') werd kwistig gebruikt. De grote breuk in de vrede die Constantijn had bereikt werd veroorzaakt door de theorie van Arius (250-336) dat Jezus weliswaar de zoon van God was, maar niet God zelf. Er ontstonden twee groepen: een die beweerde dat God en Jezus homoousion waren, gemaakt van dezelfde substantie, en een groep die beweerde dat zij homoiousion waren, gemaakt van gelijksoortige substantie. In het eerste geval zijn God en Jezus dezelfde, in het tweede geval is er een onderscheid tussen God de Vader en God de Zoon. In het Grieks worden de twee woorden hetzelfde geschreven, het enige onderscheid is de letter jota, die van homoousion homoiousion maakt. Aan dit schisma hebben we onze uitdrukking `het kan mij geen jota schelen' te danken.

De felle strijd tussen de twee groepen en andere latere schisma's en gevechten deden de genoemde geschiedschrijver Ammianus verzuchten: `Geen enkel wild beest is zo vijandig jegens de mensheid als sommige van de christenen in hun beestachtigheid jegens elkaar.' Eenzelfde bittere onderlinge haat vinden we ook bij de moslims en wel tussen de sjiieten en de soennieten – de oorzaak van die strijd is onenigheid over wie Mohammed had moeten opvolgen. Ook Constantijn maakte zich grote zorgen over de tweestrijd, maar op een paganistische manier: hij vreesde dat God misnoegd zou raken door deze twist en zijn gunsten zou terugtrekken. Zijn pogingen de twee groepen met elkaar te verzoenen waren echter tevergeefs.

In februari 360 wordt Julianus door zijn troepen in Parijs tot Augustus uitgeroepen, dat is de titel van de heerser over het gehele Romeinse rijk. In november van hetzelfde jaar vaardigt deze onverzorgde man van zelfspot en ironie – hij kreeg de bijnaam Cercops, naar het mythische mensenras dat door Jupiter in apen was veranderd – een edict uit ten gunste van het paganisme en beveelt de opening van de oude heidense tempels. Ook wordt het verbod op allerlei voorspellingen opgeheven. Hij was nogal verbitterd over de moraal van de christenen, zoals hij die had leren kennen, toch stond hij een samenleving voor waarin plaats was voor religieuze verscheidenheid. De beschrijving van deze man van letteren, van dromen en dagdromen, leest als de beschrijving van een kunstenaar, hij vertoonde dezelfde verstrooidheid en gebrek aan belangstelling voor zijn uiterlijk als Stephan Daedalus in Ulysses.

Hij stierf op 26 juni 363 tijdens een oorlog tegen Shapur II, de keizer van Perzië. Historici verschillen van mening over de oorzaak en dader, die hem met een speer de lever doorboorde – een Christuswond. Een theorie luidt dat het – verdomd als het niet waar is – een Arabier was, een bedoeïen die in opdracht handelde, maar van wie? Zijn dood betekende het einde van het heidendom, dat slechts nog beleden werd in de uithoeken van het Romeinse rijk, ironisch genoeg op het Arabische schiereiland waar na twee eeuwen een andere man zou opstaan om de genadeklap te geven aan de tolerantie en kleurrijkheid van het paganisme, een man van een agressief monotheïsme, Mohammed genaamd.

Jonathan Kirsch: God Against the Gods. The History of the War Between Monotheism and Polytheism. Viking, 336 blz. €26,–