Swiebertje-service

Daklozen moeten hun schaarse bezittingen altijd met zich meezeulen. Niet in Los Angeles. Daar staat een loods waar zwervers hun bezittingen veilig kunnen achterlaten.

In het oostelijk deel van Downtown LA, in de volksmond skid row genaamd, bivakkeren dag en nacht drommen mensen op straat: ze zitten op kartonnen dozen, liggen onder oude lappen, schurken tegen muurtjes. LA is de hoofdstad van dakloos Amerika: maar liefst 38 procent van de zevenhonderdduizend Amerikaanse zwervers woont in Los Angeles Area. Vreemd is deze concentratie niet: het is een uitgestrekte stad met veel lege plekken en het weer is er altijd goed. Anders dan in New York kun je hier de hele winter op straat blijven, en dat gebeurt dan ook massaal.

De romantische voorstelling wil dat de zwerver vrij is van aardse beslommeringen, hij heeft hoogstens een wandelstok over zijn schouder met daaraan een knapzak met wat mondvoorraad. Swiebertje kon met zo'n uitmonstering toe, maar in werkelijkheid zijn daklozen net zo afhankelijk van spullen als andere mensen.

En dus zie je stadszwervers zeulen met tassen en koffers op wieltjes. Winkelwagens zijn ook populair, die kun je hoog optasten met dekens, kleren, toiletspullen, flessen, boeken, een blikopener, een matrasje, hondenvoer, een geërfde spiegel, kleurpotloden, een klapstoeltje, een campinggasbrander en nog meer kleren. Om maar wat te noemen.

Omdat een tweede mythe, die zegt dat de verworpenen der aarde solidair zijn, ook al niet klopt, zijn zwervers met ketenen gebonden aan hun schaarse bezittingen. Heb je huis noch haard, kind noch kraai, moet je toch nog elk moment oppassen dat een collega je spullen niet jat.

Niet alleen de daklozen zitten met al die spullen in hun maag, ook de ondernemers in de binnenstad zijn niet echt blij. De politie kan weinig doen, want daklozenadvocaten spanden met succes rechtszaken aan als spullen zonder toestemming werden weggegooid. Los Angeles Catholic Worker, een militante hulpverleningsorganisatie, stelt zelfs speciale winkelwagentjes ter beschikking aan daklozen. Het ,,ongeautoriseerd verwijderen door niet-dakloze personen is een overtreding van de State Law'', staat er met dreigende letters op.

Om uit de impasse te geraken heeft skid row sinds ruim een jaar de Check-In Facility. Een projectontwikkelaar stelde een loods ter beschikking, personeel wordt betaald door de Central City East Association, een samenwerkingsverband van binnenstadondernemers. Aanvankelijk mochten daklozen er hun complete winkelwagen stallen, maar de toeloop was zo groot dat de loods meteen vol was. Sindsdien werkt het centrum met afvalcontainers, ze lijken op de Kliko containers die voor GFT-afval worden gebruikt.

Het grootste deel van de loods is afgeschermd met een hek, daarachter staan de containers keurig in het gelid opgesteld. Op vertoon van hun inschrijvingsbewijs kunnen daklozen hun eigen container naar de voorruimte laten brengen om er spullen in op te bergen of uit te halen. Om doorstroming te bevorderen moeten cliënten hun inschrijving elke week verlengen, maar veel helpt deze maatregel niet: het centrum barst uit zijn voegen.

Vorige maand kon de Check-In Facility extra ruimte bijhuren, het aantal afvalcontainers werd uitgebreid van 200 tot 474. ,,Binnen een week waren ze allemaal in gebruik. Ruimte is onze enige beperking, we raken nooit door onze klanten heen'', zegt supervisor Perry Nichols, tot voor zeven jaar zelf dakloos.

Een van de vaste klanten is de 73-jarige Ottis O'Connor, een tanige man met grijze haren en een baseballpet van de Korean Community met daarop de tekst `God Bless America'. Minstens eenmaal per week komt hij hier om zijn vuile was op te halen voor de wasserette en schone terug te brengen.

,,Onderling is het buiten een jungle, een echte jungle'', zegt hij bitter, ,,ze zijn in staat je voor vijftig cent te vermoorden. Daarom staan mijn spullen hier.'' Op straat heeft O'Connor, die enigszins mank loopt, liefst alleen zijn wandelstok bij zich. Dat hij daarmee aan een romantisch beeld beantwoordt, laat hem ijskoud.