Schotwond in de ziel

In een serie over heruitgegeven klassieken deze keer Siegfried Sassoons `Memoires van een man die op vossen jaagde' en `Memoires van een infanterieofficier' (vertaald door Frits Boeringa. IJzer, resp. 307 blz. € 22,95 en 422 blz. € 27,95).

`Deze verklaring is een daad van openlijke ongehoorzaamheid aan het militair gezag, omdat ik geloof dat de oorlog opzettelijk wordt voortgezet door degenen die de macht hebben hem te beëindigen [...] Ik ben van mening dat deze oorlog, waaraan ik begon toen het een oorlog ter verdediging en bevrijding was, nu een oorlog van agressie en verovering is geworden.'

Aldus de Britse oorlogsdichter Siegfried Sassoon (1886-1967) eind juni 1917. In mei van datzelfde jaar had Sassoon zijn venijn in zijn eerste gedichtenbundel The Old Huntsman and Other Poems onder anderen op de bisschop gericht die de oorlog goed praatte. De jongens die terugkwamen van het front waren allemaal zwaar beschadigd. De een miste zijn benen, de ander was blind, de volgende had doorschoten longen en wilde het liefst dood. Na advies van Bertrand Russell werkte Sassoon, die in de loopgraven had gevochten bij de Somme en in Engeland herstelde van een schotwond, aan zijn protest tegen de oorlog. Hij weigerde terug te keren naar het front en hoopte voor de krijgsraad te worden gesleept. Door toedoen van de schrijver Robert Graves belandde hij in een gesticht voor patiënten met oorlogsneurosen bij Edinburgh, waar hij werd behandeld door de sympathieke arts Rivers.

Sassoon figureert als een van de hoofdpersonen in de schitterende en spannende romantrilogie Regeneration van de schrijfster Pat Barker, die zich helemaal inleefde in wat oorlog en loopgraven met soldaten doen. Haar grootvader, vader en stiefvader hadden in de Eerste en Tweede Wereldoorlog gevochten. Sassoons Memoirs of a Fox-Hunting Man (1928), Memoirs of an Infantry Officer (1930) en Sherston's Progress (1936), geschreven onder het pseudoniem George Sherston, steken er wat pover bij af. In het eerste deel overheerst de dromerige sfeer van landschappelijke beschrijvingen en in de andere twee delen wil Sassoons relaas evenmin echt vlotten. In Sassoons autobiografie staan echter feiten die Barker ongebruikt liet. Zo zocht Sassoon met het oog op zijn oorlogsprotest contact met de redacteur van de zeer kritische Unconservative Weekly, die hem bij Russell introduceerde. Verder blijkt dat het leger Sassoon – die na zijn therapeutische behandeling door Rivers zijn verzet tegen de oorlog opgaf – naar Ierland en later naar Palestina heeft gestuurd. Zijn dagboekachtige proza vermeldt een verblijf in Gaza, Jeruzalem, Ramallah en Nablus, met alweer veel landschapsbeschrijvingen. Frankrijk bleef evenwel trekken. Op 13 februari 1918 trok Sassoon voor de derde keer ten strijde in Frankrijk. Kort na een roekeloze aanval op Duitse soldaten liep hij een schampschot op aan zijn hoofd, door friendly fire.

Sassoon, afkomstig uit de hogere Britse klasse, genoot een onbezorgde jeugd op het platteland, waar hij het in zijn memoires omstandig over heeft. Op jonge leeftijd verloor hij zijn ouders. Hij groeide op onder de hoede van zijn tante Evelyn. Een naïeve vrouw die werkelijk geen idee had wat er in de wereld gebeurde en al helemaal niet aan het front in Frankrijk. Behalve vossenjacht werd cricket en later golf zijn grote passie. Wat in Memoires van een man die op vossen jaagde opvalt is Sassoons speciale zintuig voor de natuur, dat hem ook aan het front niet in de steek laat. Boven de zwaarste granaatontploffingen uit hoort Sassoon nog een nachtegaal zingen.

De indringendste passages gaan over shell shock en de naargeestige sfeer in het gesticht – met mannen die 's nachts onrustig liggen te mompelen of plotseling schreeuwen in hun slaap; de dilemma's van de oorlog, de paradox van het volledig opgaan in de oorlogsdaad én het verfoeien daarvan alsmede de loyaliteit die Sassoon als gewonde officier voelt jegens zijn strijdmakkers die hij in de steek moet laten. Haarscherp noteert hij zijn persoonlijke confrontatie met de oorlog bij de slag aan de Somme: `Terwijl ik over een van de Duitsers heenstapte, haalde ik hem in een opwelling uit die ellendige greppel. Terwijl hij tegen de aarden wal leunde, zag ik dat zijn blonde gezicht niet verminkt was en dat er alleen modder op zat, die ik met de mouw van mijn jas van zijn ogen en mond veegde. Kennelijk was hij gesneuveld terwijl hij stond te graven, want zijn uniformjas was losjes rond zijn schouders vastgeknoopt. Hij was niet ouder dan achttien. Ik hees hem nog een beetje meer overeind en vond dat hij een vriendelijk gezicht had en realiseerde me dat dit de eerste keer was dat ik een van onze vijanden met mijn handen had aangeraakt.' Even later zag hij dezelfde knaap, in de modder liggen; iemand was over zijn gezicht heen gelopen.

Op 20 juli 1918 mocht de gewonde Sassoon terug naar Engeland, maar hij was liever in Frankrijk gesneuveld. Het leven had eervol en aanlokkelijk geleken toen hij dacht dat die ene kogel, dat schampschot, er een eind aan had gemaakt. Het voelde alsof er een deel van zijn ziel stierf. Voor Sassoon leek de oorlog afgelopen. Maar van binnen ging de oorlog nooit meer voorbij. Hij schreef zijn laatste oorlogsgedicht bij de inauguratie van de Menenpoort in Ieper op 24 juli 1927, bleef nog twintig jaar proza over de oorlog schrijven en overleed in 1967, als degene die de geschiedenis inging om zijn openlijke protestactie tegen de waanzin van de Grote Oorlog.