Schapen op de klinkers

In Amsterdam Oud-West waren vroeger veel buurtbioscopen, vertelt Paul Keet in Oud-West, een boek waarin buurtbewoners herinneringen aan hun wijk ophalen. Je had bioscoop De Liefde, aan de Da Costakade. En Olympia, in de Bellamystraat. Naast Olympia woonde een oude tante van Keet, bij wie hij wel eens mocht logeren. Een van haar slaapkamers lag precies naast de filmzaal van Olympia. Hij herinnert het zich nog goed. `Als het buiten stil was en je hield je oor tegen de muur, dan kon je de paarden op de prairie horen galopperen.'

Mooi gegeven: de kleine jongen in het donker in zijn bed, oorschelp tegen het behang, aandachtig luisterend. Mooie vermenging van sferen ook: tante, logeerbed, smalle stadsstraat – en daar dan de galopperende paarden op de prairie doorheen. Het staat er niet, maar in het hoofd van de lezer gaan beide sferen vanzelf in elkaar overlopen – en dat zal in het hoofd van de kleine Paul ook wel gebeurd zijn. In bed ligt een kleine indiaan, met ingehouden adem schuilend in het manshoge prairiegras. Als hij zich zou oprichten zou hij de cowboys door zijn straat zien gaan. Hoorde hij daar in de verte een schot, in de bosjes bij het Bellamyplein? Zwaaide in de Aagje Dekenstraat niet langzaam een saloondeur open? Het wilde Westen, in Oud-West.

Ook voor wie vroeger nooit bij een tante naast een buurtbioscoop heeft mogen logeren moet dit een herkenbare herinnering zijn. De tijd vlak voor het slapengaan, een vreemd bed, het liggen luisteren naar de geluiden van de nacht – er is dan niet veel meer nodig om de verbeelding op gang te helpen. Vermoedelijk zou de kleine Paul een veel minder opwindende film hebben gezien als hij op dat moment aan de andere kant van de muur, in de filmzaal van Olympia, had mogen kijken. En dan had hij zich er vermoedelijk ook veel minder van herinnerd dan nu, nu hij met enkele flarden geluid zijn eigen western moest maken.

Hoe fragmentarischer het aanbod, hoe krachtiger de verbeelding. En hoe krachtiger de verbeelding, hoe sterker de herinnering. Willem Wilmink herinnerde zich na tientallen jaren nog hoe zijn vader liedjes voor hem zong. Hij moet drie of vier jaar oud zijn geweest, ,,toen mijn vader Slaap kindje slaap voor me zong en er een wonder gebeurde – dan liep er een schaap door de Javastraat'', vertelde hij in een interview met Joyce Roodnat in 1995. Net als bij het lezen van de stadsprairieherinnering van Paul Keet moest ik hier even grijnzen, om de kinderlijke onbevangenheid die eruit sprak. Om te beginnen meende de kleine Willem Wilmink bij het luisteren naar dat slaapliedje blijkbaar op de betekenis van de woorden te moeten letten. Een interpreet in de dop! De meeste peuters zullen het hersenloos hebben meegezongen en ondergaan als een zinloos liedje met la-la-klanken en hier en daar, voor de meezingbaarheid, een rijmwoord (slaap – schaap, voetjes – zoetjes). En, nog grappiger, de jonge Wilmink vatte de tekst ook nog eens letterlijk op, als een beschrijving van de werkelijkheid. Vader Wilmink hoefde maar `Daar buiten loopt een schaap' te zingen of de slaperige jongen zag het beest meteen lopen, voor het huis, op de klinkers van de Enschedese Javastraat.

Een wonder noemde hij dat, zestig jaar later. Het is het simpele wonder van de verbeelding. Enkele flarden filmgeluid roepen al een kudde paarden op. Met een enkel gezongen regeltje verschijnt er al een schaap op straat. Wat heb je nodig om een weiland te maken? Die vraag wordt beantwoord in een gedicht van Emily Dickinson. Het heeft de vorm van een simpele handleiding, of van een recept. `To make a prairie it takes a clover/ and one bee', zo begint het. Voor een wei neme men een klavertje en één bij. Meer niet? Jawel: `One clover, and a bee,/ and revery.' Naast dat ene klavertje en die ene bij heeft men voor het maken van een wei ook nog `revery' nodig: mijmerij, dromerij, verbeelding. Als het er op aankomt is de verbeelding zelfs het belangrijkste ingrediënt. `The revery alone will do/ if bees are few.' Bij weinig bij volstaat de mijmerij. Zo besluit het ultrakorte gedicht, met zijn ultralichte toets. Intussen heeft het een ultra-universele mededeling gedaan: de geest is sterker dan de materie. Ook als er geen enkel weilandingrediënt voorhanden is en er nergens een sfeeroproepende bij rondzoemt, is de menselijke mijmerij toch in staat een weiland op te roepen.

Mooi, maar verder weet ik nog niet goed wat ik van dit gedicht moet vinden. Is het een toppunt van filosofie? Vestdijk, in 1932: `Dit volmaakte versje vervangt een verhandeling over het Kantianisme!' Biedt het troost? Of is het niet veel meer dan een alledaagse wijsheid op grond van een alledaagse ervaring?

We komen hier op de vraag hoe werkelijk de verbeelding is. Is het iets voor kinderen of voor wijzen, voor gelovigen of voor ouderen? `Opa keek vaak in onze tuin / naar die zeven sprietjes gras, / en daar zag opa dan een koe / die er helemaal niet was.' Dat schreef Willem Wilmink in de eerste strofe van zijn gedicht `Opa' (in Dicht langs de huizen, 1982). Hield opa wel van een geintje, was hij een beetje mal, had hij veel fantasie of kon hij daadwerkelijk schouwen in andere werelden die gewone stervelingen niet zien? Had hij voor het zien van die koe nog wel zeven sprietjes gras in een schamele tuin nodig of was het desnoods, bij weinig spriet, ook wel met loutere verbeelding gelukt? Zo ging het verder met opa: `En later, in het ziekenhuis, / kon hij verwonderd vragen / waarom ze toch de buitenmuur / uit zijn kamer hadden geslagen.' Hield opa, ook als het slecht met hem ging, nog steeds wel van een geintje? Begon zijn geest steeds meer verward te raken? Of was hij een ziener, die dwars door muren heenkeek, met zicht op andere werelden in andere dimensies? Zo liep het met hem af, in de derde en laatste strofe: `Voor opa was het doodgaan / dus niet zoiets als nacht: / het was de steeds grotere ruimte / die hij voor zichzelf had bedacht.'

Wat ging er in opa om, en was wat hij zag waar? Wilmink laat het mooi in het midden. Dement? Verward? Of lees je er een opgaande beweging in, van vrije tuinfantasie naar vrij ziekenhuisuitzicht naar een steeds grotere ruimte, geheel volgens de schema's van bijna alle religies en bijna alle boekjes voor persoonlijke innerlijke groei? Kinds of verlicht? Of allebei? Ik moest aan het eind wel weer grijnzen, om deze opa die, oud en zeer wijs, zijn steeds grotere ruimte binnengaat, maar die ruimte intussen wel `voor zichzelf had bedacht', als een hebberig kind.