Ruisende rokken en bronstige baronnen

De mooiste melodie bewaart Richard Strauss in zijn opera Arabella voor een ode aan de ware liefde. In de armen van de ware zal de huwbare officiersdochter Arabella `gelukkig zijn, en gehoorzaam als een kind'. Haar berooide en gokverslaafde vader droomt liever van een rijke schoonzoon, en zie daar: de Kroatische grootgrondbezitter Mandryka is rijk én de ware. Eind goed, al goed. Maar ondanks de romantische plot is Arabella vooral een muzikale komedie, waarin gretige graven en bronstige baronnen af en aan lopen, slaapkamerdeuren open en dicht gaan, rokken ruisen, en fonkelwijnen bruisen.

De productie die deze maand door de Vlaamse Opera wordt gebracht in Gent en Antwerpen, doet Arabella nergens zwaarder voor dan Strauss bedoelde. De kostuums van Jon Morrell, met degelijke jurken en gesteven rokwit, lijken een beetje op die van de première in Dresden (1933). En ook de realistische en perspectivisch inventieve decors van Paul Steinberg sluiten aan bij de intriges en archetypen die de handeling beheersen.

Arabella (1932) is het laatste product van de roemrijke samenwerking tussen Richard Strauss en Hugo von Hoffmannsthal, die na voltooiing van het libretto overleed. Strauss hoopte op een tweede Rosenkavalier en Von Hoffmansthal verwachtte hem die met Arabella ook te geven. Maar de vergelijking met Der Rosenkavalier komt Arabella niet ten goede en houdt ook op bij de luchtige toon en de Weense setting. Arabella is melodisch veel meer een Konversationsstück, en inhoudelijk veel meer onomwonden romantisch.

Arabella en Mandryka zijn het gedroomde sprookjespaar, en regisseur Francisco Negrin maakt dat zichtbaar. Op een grote klok stokt of vliegt de tijd al naar gelang de stemming, op het bal verliest Arabella terloops een schoentje. Maar meer dan dit bruikbare basisidee zijn het de doordachte en subtiele details die Negrins regie sterk maken. Zo tempert Arabella's uit geldnood als zoon vermomde zus Zdenka haar hormonen in omarming met een sleets sofakussen, en waar het orkest na het bal een ochtendstemming schetst, doet de belichting dat, perfect getimed, ook.

De Finse sopraan Camilla Nyland is met haar net niet te koele elegantie gedroomd getypecast als de ondoorgrondelijke Arabella, wier zielenroerselen nooit helemaal navoelbaar en toch geloofwaardig zijn. Haar tweespraak met zusje Zdenka (`Aber der Richtige') is een hoogtepunt van brede melodische schoonheid. Daaraan draagt ook de vocale klasse van de eveneens Finse sopraan Helena Juntunen (Zdenka) veel bij. Met zo'n stem is het ronduit jammer dat Strauss zijn zanglijnen veelal beknot tot een puntig parlando.

Net zo degelijk en vaderlijk als zijn personage is, zingt Hans-Joachim Ketelsen (Mandryka). De Amerikaanse tenor Ewan Bowles oogt en klinkt overtuigend als de brave Matteo. En naast de goede Nederlandse zangers Marcel Reijans (Graaf Elemer) en Quirijn de Lang (Graaf Lamoral) als mokkend afdruipende vrijers, is Eileen Hulse een kwinkelerende maar matig articulerende attractie in de bizarre bijrol van Fiakermilli. Iets minder overtuigd nog dan de prima cast klinkt het spel van orkest van de Vlaamse Opera. Dirigent Ivan Törzs gaat voor in een energieke weergave van Strauss' breekbare lyriek, maar de finesses van het samenspel kunnen nog groeien.

Voorstelling: Arabella van Richard Strauss door de Vlaamse Opera. Gezien: 4/5 Grand Théâtre, Gent. Herh: t/m 15/5 Gent; 22/5 t/m 5/6 Antwerpen. Inl: www.vlaamseopera.be of 0032-70220202