Column

Pompeï

Mijn zoon wil lijken zien. Gestolde lavalijken. De huisjes kunnen hem gestolen worden. De Vesuvius mag ook weg. Het gaat hem om de lijken. U begrijpt het al: we lopen door Pompeï. Vakantie. Veel schoolklassen. Italiaanse schoolklassen. Het verplichte uitje. Ze banen zich een weg door de kou en de regen. Ze zijn er op gekleed. Veel nylon. Het is echt koud. Kleumende toeristen volgen de route van de koptelefoon.

Ik sta in een huisje en doe of ik wat muurschilderingen bestudeer. Dat doe ik niet. Ik luister een gesprek af. Drie oudere Nederlandse dames staan buiten het huisje te wachten op hun treuzelmannen. Fantastisch gesprek. Waarover? Over sla. Ik zie de vrouwen niet, maar hoor ze des te beter. De een haar man heet Henk. Henk houdt van sla. Maar niet van alle soorten sla. Gewone sla vindt hij prima. Andijviesla ook. Gemengde sla is hij gek op. Rauwe spinazie mag. Maar Henk heeft niks met ijsbergsla. Dat vindt Henk geen sla. Een van de dames heeft juist iets met ijsbergsla. Lekker knapperig. Je snijdt het gemakkelijk. Het wordt niet gauw slap. Ook niet als het van de krop is. De mannen sluiten aan en het slagesprek verdwijnt.

Mijn zoon heeft de lijken gevonden. Ik moet komen kijken. Het zijn er maar twee. In een glazen kastje. Hij legt uit dat er gips in zit. Echte lijken met gips van binnen. Nu zie ik de Nederlandse dames. En de drie treuzelmannen. De dames hebben het nu over Máxima. Het gedurfde spijkerjasje van onze prinses. Volgens een van de dames kan Máxima alles hebben. Ze kijken onderhand naar de voorover liggende lavalijken. Ik denk aan gisteravond. Weer een droom verwezenlijkt. Heb een voorstelling in het schitterende San Carlo Theater in Napels bijgewoond. Een van de mooiste theaters ter wereld. Misschien wel het mooiste. Een feest om er te mogen zitten.

Ik zag ballet. Beetje tuttig ballet. Kan ook aan mij gelegen hebben. Ik vind ballet al gauw tuttig. Kan niet zo goed tegen die springnichten met die bobbel in hun maillot. Doe normaal, denk ik steeds. Daarbij heb ik een geblesseerde knie en bij elke sprong voel ik mijn knie. Ik zit te schreeuwen van de pijn in mijn stoel. Ik zie mezelf in dit theater spelen. Een vlammende conference in het Italiaans. Een uitzinnig publiek. In de pauze bestel ik haperend koffie en besluit om niet verder te dromen.

Terug in Pompeï. Mijn zoon heeft de lijken gezien. We kunnen naar de auto. Het gaat nog harder regenen. De drie Nederlandse dames manen hun treuzelmannen tot meer tempo. Het woord kunstheup valt. Goed onderwerp. Ik hoor dokters, de knie van Riek, de galblaas van Thea en de dood van een zekere Wim. De suiker heeft hem gesloopt.

De regenbui wordt nu meedogenloos. Iedereen schuilt. De dames knikken naar me. Ze zeggen dat ik van de televisie ben en ze komen straks wel op mijn naam. Ik hoor ze fluisteren dat ik nogal grof in de mond ben, maar wel een mooie vrouw heb. Wim, die van de suiker, dweepte met me en zijn vrouw ging, als ik op televisie was, altijd wat anders doen. Ze raden elkaar aan zachter te praten. Je hoort hier alles.

En dan verschijnt hij. In de stromende regen. In de verte doemt hij op. De korte broek. Het is amper zeven graden, maar hij draagt hem. Een schreeuwende bermuda. Prachtig. Daarboven een T-shirt en aan de voeten de verplichte Adidassen. Wat voor sokken? Wit natuurlijk. Hij heeft vakantie. En op vakantie draag je een korte broek. Zijn vrouw had twee jaar geleden een keer een lange broek in de koffer gedaan. Voor je weet maar nooit. Bijna gescheiden. Een lange broek. Op vakantie. Het is een grote man. Vooral breed. Hij komt stralend dichterbij. ,,Kijk een Hollander”, fluistert mijn dochter.

Ik weet zeker dat ze gelijk heeft. Toch blijven we even staan. Voor de controle. Hij herkent me. En fluistert hard tegen zijn vrouw: ,,Braakhekke!”

Zijn vrouw herkent me ook.

De dames zien het nu ook en besluiten met: ,,Die heb geen vrouw, dat is een homo!”