Onze intieme vijanden

Het wereldbeeld van moslimterroristen heeft de handzame noemer `occidentalisme' gekregen: blinde haat tegen het liberale Westen. Maar is dat begrip meer dan een oppervlakkig etiket? Juist tot het Westen behoort niet alleen de Verlichting, maar ook de duistere tegenstem.

Het `oriëntalisme' waarover wijlen Edward Said in 1978 een klassiek geworden studie schreef, moest eens een tegenhanger krijgen: het occidentalisme. Het woord bestond vast al langer, maar het bijbehorende boek is nu pas verschenen, geschreven door Ian Buruma en Avishai Margalit. De twee begrippen weerspiegelen elkaar niet volledig. Onder oriëntalisme verstond Said de westerse fantasiebeelden van het Oosten, meestal bepaald door Europa-centrisme en racisme, maar niet per se negatief van aard. De oriënt werd tenslotte ook vaak voorgesteld als een exotisch sprookje vol lust en tover – associaties die inmiddels ietwat uit het zicht zijn verdwenen, mede als gevolg van het occidentalisme.

Dat occidentalisme heeft niets sprookjesachtigs, behalve dan dat ook hier de werkelijkheid anders is dan het beeld; het gaat om een veroordeling en bloc van het gehele Westen, dat in de ogen van occidentalisten de belichaming van het kwaad is geworden, een duivelse ziekte die met alle geweld moet worden uitgebannen. Met serieuze kritiek heeft dat niets meer te maken. Typerend voor het occidentalisme, schrijven Buruma en Margalit, is juist het `ontmenselijkende' karakter van de voorstelling. Wie kritiek uit, gelooft nog in verbetering; het kwaad nodigt enkel uit tot meedogenloze vernietiging.

Het is dit haatbeeld van het Westen, dat we aantreffen bij de huidige moslimterroristen van Al-Qaeda, maar in het verleden valt een soortgelijk occidentalisme te herkennen bij Japanse kamikazepiloten, bij Mao's communisten, bij de Cambodjaanse Rode Khmer of bij de negentiende-eeuwse Russische Slavofielen. Zij allen verzetten zich tegen het Westen, omdat zij zich erdoor bedreigd voelden, aangetast in hun identiteit, wat uiteraard betekent dat het Westen hun allesbehalve vreemd was. Ook de terroristen van de aanslagen van 11 september kwamen niet uit de woestijn, maar hadden vaak lange tijd in Europa of Amerika gewoond. Hun haat was hun verweer tegen dreigende besmetting. Vandaar dat occidentalisme vooral voorkomt in landen (zoals vroeger Rusland en Japan) die krampachtig hun best doen om zo veel mogelijk van het Westen over te nemen.

Op de merkwaardige schizofrenie die daarvan het gevolg kan zijn, gaan Buruma en Margalit nauwelijks in. Wèl laten zij zien hoezeer de anti-westerse reactie veelal óók aan het Westen is ontleend. Vergelijkbare vijandbeelden van `het Westen' waren allang voorhanden in de Duitse Romantiek en in het mede daaruit voortgekomen Duitse nationalisme, dat zich tot en met het latere nationaal-socialisme uitdrukkelijk wenste te onderscheiden van het met Frankrijk en Engeland geassocieerde `Westen'. Duitse denkers en dichters als Herder, Fichte, Heidegger en Jünger zouden hun invloed op intellectuelen in bijvoorbeeld Japan en de islamitische wereld niet hebben gemist.

In hun boek behandelen Buruma en Margalit enkele `occidentalistische' thema's, zoals de afkeer van de grote stad en van de burgerlijke handelsgeest, het wantrouwen tegen het rationalisme en de hang naar religieuze zuiverheid. Natuurlijk beseffen zij heel goed dat deze thema's niet alleen door Duitsers werden gekoesterd, net zoals romantiek en nationalisme geen exclusief Duitse verschijnselen zijn geweest. Wat zich via de omweg van dit `occidentalisme' dus weer eens manifesteert, dat is de diepe innerlijke verdeeldheid van de westerse beschaving. Tot die beschaving behoort niet alleen de `westerse' Verlichtingstraditie, waarbij Buruma en Margalit zich het meest thuis lijken te voelen, maar evengoed haar romantische tegenstem, zelfs wanneer die zich expliciet tegen `het Westen' keert.

Buruma en Margalit zijn voor deze verdeeldheid niet blind; ze schrijven het occidentalisme tenslotte een westerse oorsprong toe. Maar de mogelijke consequenties daarvan, toch niet onbelangrijk voor het beoogde begrip van het verschijnsel en voor het antwoord op de vraag welke houding we ertegenover dienen in te nemen, laten ze helaas onbesproken. Voorzover het Japanse kamikazepiloten betreft of Al-Qaeda-terroristen, maakt dat niet zoveel uit: zulke concrete, fysiek gewelddadige vijanden kun je in de praktijk alleen maar bestrijden. Veel lastiger wordt het bij intieme geestelijke `vijanden', die je tegelijkertijd dierbaar zijn, zoals Dostojevski, de grote romancier die hier wordt opgevoerd als een Slavofiele occidentalist, of bij de inspirator der Slavofielen, de Duitse romantische filosoof Schelling, die tegenwoordig echt wel wat meer belangstelling geniet, en terecht, dan Buruma en Margalit (uit afkeer of onwetendheid) suggereren.

Juist als symptoom van eigen westerse verdeeldheid lijkt het occidentalisme alle aanleiding te geven tot een kritisch zelfonderzoek, dat wellicht ook een ander dan enkel polemisch licht op het huidige moslimterrorisme zou kunnen werpen. Maar daar hebben Buruma en Margalit zich niet aan gewaagd, met als gevolg dat hun boek niets meer en niets minder is geworden dan een erudiet en goed geschreven voorstel om een bepaald fenomeen van een pakkende noemer te voorzien.

Hoezeer de bedoelde culturele verdeeldheid nog altijd onder ons is, blijkt ook uit twee andere recente boeken waarin het terrorisme van 11 september een belangrijke rol speelt: het vorig jaar al verschenen Prometheus revisited. The quest for global justice in the twenty-first century van Arthur Mitzman, emeritus-hoogleraar moderne geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, en Civilisation and its enemies. The next stage of history van de Amerikaanse neoconservatief Lee Harris.

Beide boeken bestrijden, voor zover dat nog nodig is, Fukuyama's in 1989 uitgeroepen `einde van de geschiedenis', maar dat is ook wel het enige wat de linkse utopist Mitzman en de rechtse realist Harris met elkaar gemeen hebben. De een belichaamt, om zo te zeggen, de nachtmerrie van de ander, en ook in die hoedanigheid illustreren zij – onbedoeld – de verdeeldheid van de westerse cultuur.

Binnen het bestek van Mitzmans boek neemt die verdeeldheid echter een heel andere vorm aan, en wel die van de mythe van Prometheus. De Griekse Titan is bij hem hét symbool van de westerse moderniteit, zij het in twee gedaanten: hij staat voor het moderne kapitalisme en zijn expansie, en hij staat voor de alternatieve tegenkrachten, die vooral in de Romantiek opkwamen en die exemplarisch zijn verwoord in Shelley's Prometheus unbound uit 1819. Tegenover het huidige neoliberale kapitalisme plaatst Mitzman de herinnering aan de romantische tegenstem, die niet uit is op een beheersing van de natuur, maar (zoals de ontknoping van Shelley's drama demonstreert) op een bevrijdende verzoening van cultuur en natuur.

Mitzmans boek is een gedreven pleidooi om zich niet neer te leggen bij de ogenschijnlijke triomf van de kapitalistische globalisering. Het kapitalisme is er weliswaar in geslaagd vroegere emancipatoire bewegingen als nationalisme en socialisme op te slokken, met als resultaat dat nu de vrije consument als karikatuur van Prometheus mag figureren, maar dat wil niet zeggen dat het niet anders kan. De meest realistische houding, schrijft Mitzman tegen de tijdgeest in, is nu de `utopische verbeelding'.

De toekomst wordt geblokkeerd door een `dubbele muur': de dreigende ecologische catastrofe en de sociaal-economische malaise, die tot uiting komt in de steeds groter wordende kloof tussen rijk en arm. Deze beide dreigingen zijn volgens Mitzman veel belangrijker dan die van het terrorisme, waar momenteel alle aandacht naar uitgaat. De enige uitweg ziet hij in een herleving van het romantische utopisme, de creatieve, fantasievolle versie van de Prometheus-mythe. De revolte van de jaren zestig van de vorige eeuw (`de verbeelding aan de macht!') zou geen zwanenzang zijn geweest, maar juist een hoopvol begin, dat nu een veelbelovend vervolg heeft gekregen in de wereldwijde antiglobaliseringsbeweging.

Mitzmans kritische visie ligt in het verlengde van de Frankfurter Schule. Met name Herbert Marcuse (en diens `repressieve tolerantie') krijgt van hem gelijk: pas nu leven we ten volle in wat Marcuse destijds had voorspeld. Steun zoekt hij bij de kritische psychoanalyticus Ernest Schachtel, die alle nadruk legt op de `allocentrische' perceptie, eigen aan kunstenaars en dichters. Het gaat om een herdefinitie van de menselijke natuur, waarbij de nadruk komt te liggen bij een ontvankelijkheid voor het `andere', die de gebruikelijke tegenstelling tussen subject en object of tussen mens en natuur doorbreekt, ten gunste van een verzoening à la Shelley.

Daarnaast komt Mitzman met een wonderbaarlijke utopische `schets' van een alternatieve toekomst, een mondiaal anarchistisch paradijs van lokale of regionale gemeenschappen, die alle nadelen van de kapitalistische rat race te boven zijn gekomen. Het privé-eigendom en de markteconomie moeten ervoor worden afgeschaft – wat op zichzelf al voldoende lijkt, nog los van alle rooskleurige details, om deze utopie wegens gebrek aan realiteitszin terzijde te schuiven. Maar Mitzman verdedigt het `realisme' van zijn utopie uitdrukkelijk, en wel op `historische gronden'.

Dat oogt vreemd, want alles wat Mitzman in zijn boek over het verleden schrijft lijkt nu juist de triomf van het kapitalisme te bevestigen. Waarom zou het romantische alternatief (de `andere Prometheus') nu opeens wèl werken en in het verleden niet? Uiteindelijk neemt Mitzman zijn toevlucht tot een ouderwets geloof in de Vooruitgang, inclusief een geloof in de zegeningen van de nieuwe informatietechnologie, die wellicht net zulke revolutionaire gevolgen zal hebben als indertijd de boekdrukkunst.

Opvallend is daarbij het grote vertrouwen in Europa, tegenover het kennelijk reddeloos verloren geachte Amerika. Een `eerste stap' naar zijn utopische transformatie ziet Mitzman immers in de vestiging van een `Sociaal Europa', een herstel van de nu overal in verval geraakte verzorgingsstaat, die daarna als voorbeeld voor de rest van de wereld moet dienen. Mitzman zet in dit boeiende, maar vaak ook krankzinnig optimistische en naïeve boek zijn grote historische kennis in om een weinig plausibel beeld van een betere toekomst kracht bij te zetten, vertrouwend op de verdeeldheid van de westerse cultuur, die in het andere gezicht van Prometheus de belofte van een verborgen heil zou bewaren.

Het is niet moeilijk om te bedenken wat zijn tegenpool Lee Harris hiervan zou vinden: wereldvreemd idealisme! Typisch iets voor `intellectuelen', die nu eenmaal altijd aan hun eigen idealen de voorkeur geven boven de werkelijkheid.

In Civilisation and its enemies verdedigt Harris zelf liever de status quo, dat wil zeggen: de Pax Americana zoals die nu door de regering Bush, inclusief unilaterale militaire actie, met vallen en opstaan in Irak en elders wordt uitgeoefend. Bij Harris vinden we ook een onbekrompen lofzang op het neoliberale kapitalisme, dat volgens Mitzman de wereld nu juist te gronde richt, en op het daarbij behorende `professionalisme' van de zakenman.

En waar zit de verdeeldheid bij Harris? Die zit in de manier waarop hij de principes van de Amerikaanse democratie stilzwijgend herschrijft met behulp van de ideeën van Carl Schmitt, bij Buruma en Margalit een van de Duitse inspirators van het occidentalisme. Vreemd genoeg noemt Harris Schmitt nergens, maar zijn definitie van de soevereiniteit als de bevoegdheid om te bepalen wanneer de normale regels dienen te worden opgeschort lijkt te zeer op wat Schmitt erover schrijft in Politische Theologie (de soeverein die beslist over de `uitzonderingstoestand') om op toeval te kunnen berusten. In nog sterkere mate is dat geval met Harris' ideeën, naar aanleiding van 11 september, over de terugkeer van de `vijand'.

De vijand hoort bij de beschaving, betoogt Harris; zodra je het geweld tracht uit te bannen, dient zich iemand aan die zich daar niets van aantrekt en je uitdaagt: dat is de vijand. Volgens Harris begint het al met de moord van Romulus op Remus; Schmitt liet de wereldgeschiedenis beginnen met de moord van Kaïn op Abel, maar het principe is hetzelfde. Ook Harris' verwijten aan de `liberals' dat zij de vijand zijn vergeten, doet aan Schmitt denken, die in Der Begriff des Politischen betoogt dat het liberalisme altijd vergeefs op zoek is naar een `neutrale' sfeer en dus de onontkoombare vijandschap negeert. Een miskenning van de harde, gewelddadige werkelijkheid, aldus Schmitt, en Harris, die met vergelijkbare argumenten het wereldvreemde idealisme van `intellectuelen' als Mitzman attaqueert, zegt het hem na.

Als kampioen van het `realisme' noemt hij niet Schmitt, maar Hegel, zij het een Hegel zonder `einde van de geschiedenis'. Van Hegel neemt Harris de afkeer van louter abstracte ideeën over, dat wat hij de `Platonic fallacy' noemt: ideeën zijn volgens hem alleen geldig, voorzover ze zijn verankerd in de concrete historische werkelijkheid. Het is de klassieke conservatieve kritiek op al dan niet verlichte idealisten. Bij Harris gaat het alleen zo ver dat (met een beroep op Hegels beruchte dictum dat `het rationele het werkelijke is en het werkelijke het rationele') elke mogelijkheid tot kritiek op de status quo lijkt te verdampen.

Als we Harris mogen geloven is die kritiek ook helemaal niet nodig, omdat de Amerikaanse hegemonie in de praktijk voor iedereen een zegen is, zozeer zelfs dat hij er niet voor terugdeinst om de bijzondere positie van de Verenigde Staten op het wereldtoneel met een Hegeliaans aandoende onontkoombaarheid als `het volgende stadium van de geschiedenis' te begroeten, compleet met een dubieuze `neo-soevereiniteit' die Amerikaans ingrijpen in andere staten rechtvaardigt zodra daar wandaden plaatsvinden. Welke wandaden? Harris spreekt over ruthlesness (meedogenloosheid) oftewel de onwil om het politieke spel volgens de regels te spelen. Daaraan maken nu bijvoorbeeld de moslimterroristen van Al-Qaeda zich schuldig, bevangen als zij zijn door een `fantasie-ideologie' die geen enkel rationeel doel meer dient, behoudens de spectaculaire destructie van de tegenstander ter bevrediging van het eigen onaantastbare gelijk.

Ter ondersteuning van zijn krasse stellingen duikt ook Harris, net als Mitzman, in het verleden. Zo ziet hij Sparta als dè bron van de Griekse vrijheid, de eerste overwinning op de vijandige `meedogenloosheid', zonder dat deze – dankzij `teamgeest' en `erecode' – de eigen samenleving fataal werd. Wat in Sparta begon is nu, via het klassieke Rome, uitgemond in Amerika, dat als ideale multiculturele samenleving èn als mondiale politieagent bij Harris onwillekeurig alsnog onmiskenbaar utopische trekken krijgt. Want de totale belangeloosheid die hij het Amerikaanse optreden toedicht, tart elk realisme. Vergeleken met dit staaltje van wishful thinking lijkt Mitzman opeens een realist, omdat hij tenminste niet de ogen sluit voor de rol die de oliebelangen spelen bij de Amerikaanse bemoeienissen met het Midden-Oosten.

Buruma en Margalit, Mitzman en Harris – allen laten ze, ieder op zijn eigen manier, iets oplichten van de westerse verdeeldheid, die zich nu via het globaliseringsproces heeft verbreid op wereldschaal. Juist omdat de auteurs dit op zo verschillende wijze tegemoet treden, met schijnbare neutraliteit, met fundamentele kritiek of met gretige instemming, krijgt het feit zelf een steeds ongenaakbaarder aanschijn. Want hoe men de zaak ook beoordeelt, het is duidelijk dat deze globalisering, de jongste gedaante van de wereldwijde westerse expansie van kapitalisme, politiek (imperialisme, democratie, mensenrechten) en wetenschap en technologie die al een paar eeuwen gaande is, overal de agenda's bepaalt: de agenda van terroristen en van terreurbestrijders, van multinationals en van antiglobalisten, van realisten en van utopisten.

De verdeeldheid is hierbij van cruciaal belang, want zij bindt de tegenstellingen aan elkaar zonder ze op te heffen en maakt zo het ogenschijnlijk steeds raadselachtiger wordende proces tot een samenhangend geheel. Daarbinnen zijn globalisering en terrorisme of universalisme en occidentalisme onmogelijk nog los van elkaar te zien – behalve als men bereid is zichzelf hartgrondig voor de gek te houden.

Ian Buruma en Avishai Margalit: Occidentalism. The west in the eyes of its enemies. Penguin, 166 blz. €22,25

Arthur Mitzman: Prometheus revisited. The quest for global justice in the twenty-first century. University of Massachusetts Press, 317 blz. €32,–

Lee Harris: Civilisation and its enemies. The next stage of history. Free Press, 232 blz. €26,30

    • Arnold Heumakers