Ongevraagd advies BK

Zowel gevraagde als ongevraagde adviezen behoren betrouwbaar te zijn tenzij zij worden ingefluisterd om te misleiden. Janneke Wesselings Ongevraagde advies beeldende kunst aan de staatssecretaris voor Cultuur (Cultureel Supplement, 16 april) bevat ten aanzien van het Fonds voor de beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst aantoonbare onjuistheden. Dat is jammer, want dat maakt het advies er niet steviger op. Zo zegt zij dat het rendementsdenken nu bepalend wordt voor het Fonds BKVB en dat een kunstenaar bij een projectsubsidie moet aangeven waar hij het aangevraagde geld voor wil gebruiken. Dit zou een rationalisering van het creatieve proces met zich meebrengen en een `verder verlies aan tijd en stilte en aandachtige toewijding waaraan in onze maatschappij toch al een grote schaarste is'.

Nog afgezien van de vraag of het Fonds BKVB er is om stilte te subsidiëren, gaat Wesselings observatie voorbij aan de aard en plaats van de projectsubsidie binnen de diverse subsidiemogelijkheden van het Fonds BKVB. De projectsubsidies zijn niet van vandaag of morgen maar bestaan al zo lang als het Fonds BKVB. Met de ingang van het huidige beleidsplan (2001!) hebben die projectsubsidies een centrale plaats gekregen in het subsidiestelsel van het Fonds BKVB, maar wel in samenhang met de basissubsidies. Deze laatste subsidiemogelijkheid stelt de kunstenaar in staat zijn werk in alle rust, los van de druk van de markt, voort te zetten. Daarnaast kunnen projectsubsidies door kunstenaars voor alle mogelijke doeleinden aangevraagd worden. Juist ook – en zo zal Janneke Wesseling het waarschijnlijk bedoeld hebben – voor onderzoek, reflectie en bezinning. Kortom, voor dat wat de oorsprong van een kunstwerk ten goede kan komen. Niet voor niets staat in de omschrijving van de projectsubsidie dat het voorgenomen project niet hoeft te leiden tot een concreet artistiek eindresultaat. Tegenover deze mogelijkheden staat wel dat de aanvrager moet aangeven hoe hij het aangevraagde subsidiebedrag wil aanwenden en welk doel hem daarbij voor ogen staat. Dat is geen rationalisering van het creatieve proces noch een hernieuwde introductie van de tandenborstelcontrole. Voor bedragen die (gemiddeld gesproken) de 10.000 euro gemakkelijk te boven gaan is een minimale verantwoording vooraf en achteraf toch niet onredelijk. De suggestie dat het hier om de zoveelste uiting van het hedendaagse rendementsdenken zou gaan, is mij dan ook te gemakkelijk. In zowel het huidige als het nieuwe beleidsplan houdt het Fonds BKVB vurige pleidooien voor de vrije ruimte van de kunstenaar omdat het maar al te goed beseft dat niet alle kunstwerken op bestelling of binnen kantoortijden gemaakt worden. Mijn ongevraagde advies aan Janneke Wesseling is dan ook die te lezen.