Nooit wordt hij woedend

Op 13 oktober 1942 noteert historicus en hoogleraar I.J. Brugmans in zijn dagboek: `3.45 uur uit huis per vrachtauto opgehaald. Naar de Schouwburg (Pieterspark). Vandaar in colonne gemarcheerd naar Waringilaan. Krijgen tikar [een slaapmatje], verder niets. Bevriende oud-gasten leenen bord, vork, mes en kroes. Geen bagage. Geslapen in open galerij op tikar en onder regenjas.' Achter deze regels gaat een grote dramatiek schuil. Brugmans en tienduizenden lotgenoten, behalve mannen ook vrouwen en kinderen, worden in 1942 door de Japanse bezetters van Nederlands-Indië ondergebracht in de zogenoemde interneringskampen voor burgers, kortweg de Jappenkampen genoemd.

De in Groningen geboren historicus Izaäk Johannes Brugmans (1896-1992) werkte in de Indische tijd als hoogleraar in Batavia. Tijdens de Japanse inval bevond Brugmans zich met zijn gezin in Bandoeng, waar hij werd geïnterneerd, gescheiden van vrouw en kinderen. Vanaf de eerste dag hield Brugmans een dagboek bij, aanvankelijk geschreven in een notitieblokje en schriften. Naderhand verbood de bezetter, onveranderd de `Jap' of `Japs' genoemd, het schrijven en eiste al het gerei op. De auteur nam zelfs zijn toevlucht tot toiletpapier om zijn ervaringen accuraat vast te leggen.

In de nog altijd groeiende lijst dagboeken over de oorlogstijd in Nederlands-Indië valt het dagboek van Brugmans op door de sobere, bijna wetenschappelijk observerende manier van schrijven. Nooit laat de historicus zich meeslepen door een aanval van woede of verzet; zijn gemis van vrouw en dochters beperkt zich vaak tot een enkele, treffende regel. Zijn geestelijke veerkracht blijft ondanks de vernederingen, de honger, de kommervolle omstandigheden ongebroken. Brugmans verdiept zich in historische werken, hij geeft college en en neemt zelfs examens af. Hij staat bekend als de man in het kamp die alles weet. Regelmatig citeert hij Faust die zegt dat alleen het werk een mens kan redden.

De verschijning van dit dagboek, een halve eeuw na de internering, zegt veel over de bescheidenheid van Brugmans. In 1950 typte zijn dochter het dagboek uit, waarna de auteur het schonk aan het Rijksinstituur voor Oorlogsdocumentatie, het huidige NIOD. Bijna niemand wist van het bestaan, totdat onderzoekster Esther Captain het ontdekte. Het is volkomen terecht dat de dagboeken nu zijn uitgegeven. Meer dan in de getuigenissen van andere gevangenen richt Brugmans zijn blik op de Japanners zelf, hun `onmenselijkheid' en vooral hun organisatorische onkunde. Maatregelen worden genomen en een dag later weer herzien. De geïnterneerden, bijna volledig afgesloten van de buitenwereld, proberen aan elke handeling van de Japanner iets af te lezen over de voortgang van de oorlog. Nauwelijks twee maanden internering zitten erop als onder Brugmans barakgenoten de wildste geruchten de ronde doen over capitulatie en bevrijding. Ze moeten lang wachten, de lijst doden groeit. Brugmans beseft al te goed dat hij en zijn familieleden als door een wonder zijn gered.

Prof. Dr. I.J. Brugmans: Gevangen op Java 1942-1945. Dagboek uit een Jappenkamp. Walburg Pers, 176 blz. €17,50