`Misschien had ik hetzelfde gedaan'

Uwe Timm werd te laat geboren om vuile handen te maken in de oorlog. In `Mijn broer bijvoorbeeld' onderzoekt hij zijn familiegeschiedenis. ,,Voor mijn broer was de vijand geen mens meer.''

Zijn hoornvlies liet los bij het schrijven. Een psychosomatische reactie op een pijnlijke kwestie. Voor het eerst sinds zijn twaalfde huilde Uwe Timm. De 64-jarige auteur uit München vertelt er nuchter over. Hij is een paar dagen in Amsterdam voor de presentatie van Mijn broer bijvoorbeeld, zoals zijn nieuwe boek in vertaling heet. De broer in dat boek, en in het leven van Uwe Timm, stierf op zijn negentiende. Maar daar alleen kwamen die tranen niet door. Ze kwamen voort uit schrik, uit schaamte, uit onwillekeurige betrokkenheid bij een Duits familiedrama.

De broer had bij de SS gezeten. Bij de afdeling waar ze een doodshoofd op kraagspiegel en uniformpet droegen, een elite, de Totenkopfdivision. Karl-Heinz, zestien jaar ouder dan Uwe, had zich er vrijwillig voor aangemeld. Hij vocht mee aan het Oostfront, raakte zwaargewond, moest beide benen laten amputeren en bezweek op 16 oktober 1943. Had hij daar aan de Dnjepr burgers neergeschoten, partizanen, joden? Was de `grote luizenjacht' waarover hij in zijn dagboek opschepte een eufemisme voor etnische zuiveringen? Met dat soort vragen worstelt Uwe Timm in zijn boek en hij vindt geen antwoorden die hem zekerheid zouden kunnen geven. Ook het antwoord op de vraag hoe hij gehandeld zou hebben in de plaats van zijn broer blijft onbeslist: ,,Ik kan niet met zekerheid zeggen'', formuleert de schrijver voorzichtig, ,,dat ik mij anders zou hebben gedragen.''

Uwe Timm, een man in spijkerbroek, het witte haar olijk geknipt, kijkt onderzoekend. ,,De kiem van de militante opvoeding was bij mij immers ook al gelegd. Op mijn vijfde sloeg ik al de hakken tegen elkaar en riep dan keurig: Heil Hitler! Door de Amerikanen kwam er in het openbare leven een einde aan de dominantie van die militaristische mentaliteit, maar in de gezinnen leefde het autoritaire geweld nog lang na 1945 voort. Ik kon dit boek pas schrijven toen iedereen van het gezin waaruit ik kom, dood was. Pas tijdens het schrijven werd mij duidelijk hoe weinig wij tot tegenspraak zijn opgevoed. Met als voordeel dat ik er zelf voor moest vechten, individueel en in het collectief van de protestbeweging van 1968. Die beweging was anti-autoritair in een tijd waarin oude nazi's topposities hadden ingenomen in politiek en rechtspraak.''

Over die protestbeweging gaan zijn romans Heisser Sommer en Rot en Timm was zelfs een tijdje communist. In zijn novelle Die Entdeckung der Currywurst liet hij een proletarische vrouw tijdens de oorlog kleine verzetsdaden verrichten, alsof de lagere klassen níet door het Duitse gehoorzaamheidsdenken waren verpest. Zag hij hen toen, in 1993, nog door een roze bril? ,,Het is gewoon een feit'', zegt Uwe Timm fel, ,,dat er in proletarische kringen sabotage werd gepleegd. Maar ik heb ook beschreven hoe iedereen in die volksbuurt wegkeek als er joodse buren werden gedeporteerd. Zelfs de arbeiders waren geen helden.'' Wèl een held was, in de ogen van Timms vader, de gesneuvelde broer. ,,Hij bleef voor eeuwig fatsoenlijk, goed en dapper. Dat krijg je als iemand in een familie jong sterft: dan maak je hem niet meer mee met al zijn fouten, dan ga je hem idealiseren. Daarbij komt dat mijn broer werkelijk een wens van mijn vader vervuld heeft. Een onuitgesproken wens, want ik geloof niet dat mijn vader tegen mijn broer heeft gezegd: meld je aan bij de SS. Maar hij wilde het wel, mijn vader, en dat heeft te maken met zijn voorstelling van de elite.''

Bontwerker

De vader in het boek dweept met de elite; hij kopieert hun manieren en oogt als een dure gentleman terwijl hij in wezen niet meer dan een eenvoudige bontwerker is. ,,Voor hem was de adel alles'', legt zoon Uwe uit, ,,want bij de stichting van het Duitse Rijk voerde de adel oorlogen die allemaal werden gewonnen. Het militaristische, het gedoe met stambomen, met raszuiverheid: die dingen nam de burgerij van de adel over en de nazi's hebben ze vervolgens gepopulariseerd. Oorlog voeren tegen minderwaardige volken, dat verhief de gewone man. Die bewaakte liever met een karabijn tien mensen bij het werk dan zelf te moeten werken.''

Door militaire vlijt probeerde de vader de privileges van de elite te bemachtigen. Hans Timm had zich al in de Eerste Wereldoorlog als vrijwilliger aangemeld en was bij de veldartillerie terechtgekomen. Na de verloren oorlog sloot hij zich bij een vrijkorps aan en in de Tweede Wereldoorlog zat hij bij de Luftwaffe. Het liefst was hij officier geworden. De SS stootte hem niet af. ,,Want die had een verfijnde kant. Himmler had erop gelet zoveel mogelijk academici aan te werven. De mannen van de Einsatzgruppen, die de joden massaal hebben omgebracht, waren allemaal ontwikkelde mensen. Ze lazen Hölderlin en luisterden naar Schubert, wat mijn geloof dat je via literatuur en muziek menselijk gedrag kunt verbeteren wel heeft ondermijnd. Anderzijds is analfabetisme ook geen garantie voor vredelievendheid. Het gaat om iets anders. Om medegevoel en empathie, het vermogen je in anderen te verplaatsen.''

Maar zelfs dan is het raadsel van de menselijke moorddadigheid nog niet opgelost. Neem Karl-Heinz Timm. ,,Hij was volgens iedereen een sensibele, aardige jongen. Een mooie blonde jongen die er heel zacht uitzag.'' Terwijl hij aan het front totaal gevoelloze dingen in zijn dagboek schreef. Dingen als: `Bruggenhoofd over de Donets. Ivan rookt sigaretten, voer voor mijn MG.' Uwe Timm snapt het wel: wie aan het front wilde overleven mocht geen zachtheid tegen de vijand tonen. En toch snapt hij het ook weer niet. ,,Hoe word je zo dat de vijand voor jou geen mens meer is maar een dier of minder? Hoe kun je op het ene moment je gevoel uitschakelen en op het andere moment, à la de supernazi Heydrich, vioolspelen met een tere mond? Er zou een solidariteit tegen de dood moeten bestaan. Maar velen, zoals mijn broer, namen de dood op de koop toe. Ze deden alles om de wensen van anderen te vervullen. Zonder na te gaan waar die wensen onmenselijk werden.''

Fatsoenlijk

Na de oorlog beweerde Timms vader steeds dat de Wehrmacht en de Waffen-SS, waartoe de broer had behoord, fatsoenlijk waren geweest en alleen de anderen niet. ,,Hij zei: De Waffen-SS was dapper, die vocht aan het front. Hij zei ook: Wij waren bij de Luftwaffe, wij hadden niets met dat moorden te maken. Maar ze hadden er wel mee te maken, want hoe moediger zij vochten, des te langer ging die moordindustrie in de kampen door. Dat verband wilde of kon mijn vader niet voor zichzelf toegeven.'' De vader stierf niet zo heel lang na de oorlog, alsof die hem toch nog had ingehaald. ,,Hij dronk en rookte veel, hij had iets zelfvernietigends. Misschien zag hij, zonder het uit te kunnen spreken, in dat zijn oudste zoon zinloos was geofferd en dat zijn idealen voor niets waren geweest, want alles was ingestort.''

Als kind zocht Timm graag het gezelschap van vrouwen. ,,Ze roken zo lekker, hun borsten en dijen waren zo heerlijk zacht. Bij hen voelde ik me geborgen, heel anders dan bij die autoritaire kerels met hun harde mannelijkheidsideaal. Ja, mijn idee is dat het er bij de vrouwen vrediger aan toe gaat.'' In het platgebombardeerde Hamburg groeide Uwe op. Hij speelde enthousiast in de puinhopen: ,,Het was een avontuurlijk landschap, je kon er holen bouwen en je vond er de ongelooflijkste voorwerpen. Ik weet niet meer waar ik die heb gelaten. Wat ik nog heb, zijn dingen die mijn ouders hebben gered toen ons huis in brand stond. Twee biedermeierbeeldjes, minimaal beschadigd. En een doos kerstballen, nog volkomen gaaf.''

Uwes vader had in de ruïnes een oude bontnaaimachine gevonden en zo werd hij bontwerker. De zaak floreerde aanvankelijk, maar raakte na een aantal jaren in de versukkeling. De enig overgebleven zoon moest het vak leren om de boel te redden. ,,Ik heb het goed geleerd, bontwerken is een oud en mooi beroep, maar ik wilde schrijven, dat wist ik al als kind.'' Door zijn bontwerkersjeugd leerde hij, anders dan veel andere schrijvers, het leven van werkende mensen kennen. ,,En misschien heb ik ook de accuratesse waarmee je te werk moet gaan als je een bontjas in elkaar zet bij het schrijven overgenomen. De huiden moeten bij elkaar passen, de richting van de haren moet kloppen en de snit moet sierlijk zijn. Dat alles heeft niet alleen een zakelijke maar ook een zinnelijke kwaliteit. De techniek die ik in mijn nieuwe boek heb gebruikt, een montagetechniek, compact patchwork, lijkt precies op het maken van een jas.''

Uwe Timm: Mijn broer bijvoorbeeld. Vertaald door Gerrit Bussink. Podium, 152 blz. €15,–. Het oorspronkelijke, Duitstalige werk van Uwe Timm verscheen bij Kiepenheuer & Witsch en bij DTV.