In de pindakaaspot

Op een warme middag kwam ik moe en hongerig thuis uit school. ,,Een boterham, een boterham, mijn autoped voor een boterham'', riep ik op zielige toon tegen mijn moeder.

Omdat ze medelijden met me had, smeerde ze snel een paar boterhammen met pindakaas voor me. Maar toen ik die ophad was mijn honger nog niet over. Jammer was bovendien dat mijn moeder de pindakaaspot al had opgeborgen. ,,Drie boterhammen is genoeg'', zei ze streng. ,,Anders word je maar een dik ventje.''

Bedroefd ging ik naar mijn kamer. Spelen kon ik niet, zo naar voelde ik me, en daarom staarde ik maar wat uit het raam. Buiten liepen allemaal vrolijke kinderen die volgens mij veel meer hadden gegeten dan ik en toch niet dik waren. En mijn maag bleef maar rammelen en vroeg gewoon om meer.

Gelukkig moest mijn moeder aan het eind van die middag nog even wat boodschappen doen. Zodra ze de buitendeur achter zich had dichtgedaan rende ik naar de keuken en pakte de pindakaaspot. Wat was ik blij dat aan mijn lijden een einde was gekomen. Maar toen ik de broodtrommel opende bleek dat ik te vroeg had gejuicht: het brood was op.

Even voelde ik me de hongerigste jongen op aarde. Maar toen kreeg ik een briljant idee. Want wat was er nou lekkerder? Het brood of de pindakaas? Met een theelepeltje nam ik nu zo'n tien hapjes uit de pot. Oh, wat was pindakaas toch lekker.

Maar toen schoot door me heen dat als mijn moeder de pindakaaspot zou openen ze onmiddellijk zou zien dat iemand eruit had gesnoept. Om mijn geheime eetactie te verhullen besloot ik nu met het lepeltje het oppervlak van de pindakaas in de pot glad te strijken, zodat het leek alsof er helemaal niets van gegeten was. Het kwam er natuurlijk op neer dat ik er zelf nog wat meer van moest nemen, omdat het me anders niet zou lukken een glad pindakaasoppervlak te maken. Maar de pindakaas smaakte zo goed dat ik even vergat dat een heleboel kleine hapjes bij elkaar opgeteld ook VEEL was. En toen ik ineens de bodem van de pot door de pindakaas heen zag, was het te laat. De pindakaaspot heb ik daarna onder mijn bed verborgen, zodat niemand hem ooit zou kunnen vinden.

Toen mijn moeder de volgende ochtend bij het ontbijt vroeg of ik pindakaas op mijn brood wilde, zei ik: ,,Nee, geef mij maar hagelslag. Van pindakaas word je zo dik.'' De pindakaas van de vorige dag voelde ik toen nog tot in mijn tenen.