In de huid van de grote meester

Voor het Nederlands Blazersensemble bewerkte Martijn Padding onvoltooide schetsen van Beethoven. ,,Als ik een fragment goed vind, voel ik me vrij het te gebruiken.''

De vleugel is even groot als het kamertje en breekt zowat door de muren, maar zelf is de componist klein van stuk. Klein en stevig en behept met heftige gestiek. Hij beukt op de toetsen, stampt op de vloer, brult mee met de drammerige akkoorden. ,,Macht zusammen! Macht! Macht!'' Die vitaliteit, dat fysieke. Die drift in dat kleine lichaam. De affiniteit is onloochenbaar. Daar, op die pianokruk in een nieuwbouwappartement in Amsterdam, zit Beethoven, de componist die schreeuwde en stampte als hij componeerde, de componist die zich in elk huis onmogelijk maakte en wel zeventig keer verhuisde, met vrienden brak en ze weer in de armen sloot, flikflooide met zijn leerlingen en eindeloos achter onbereikbare liefdes aanliep. De componist wiens Sturm und Drang in de klassieke nalatenschap van Haydn en Mozart te weinig ruimte vond. ,,Dat vond ik vroeger al heel opwindend aan Beethoven'', zegt Martijn Padding (47). ,,Dat machtsvertoon. Dat harde spelen, dat stompen op de piano. Die grote, wilde pianostukken op die kleine pianootjes uit die tijd.''

Padding is helemaal in de huid van Beethoven gekropen. Beethoven is, samen met Thelonius Monk, zijn grote voorbeeld. Al van jongs af aan. Dat hij ook zijn muziek zou componeren, had hij nooit gedacht. Het begon met een verzoek van het Nederlands Blazersensemble om Beethovens Strijkkwartet opus 130 voor blazers te bewerken. Slecht idee. Kon hij geen kant mee op. Te transcendent. Een eindpunt. Maar hij wist van de onvoltooide schetsen van Beethoven. Schetsen die nog nooit hadden geklonken, alleen in de studeerkamers van musicologen. Beethoven heeft duizenden schetsen achtergelaten. Vaak onleesbaar en bijna altijd summier, zonder instrumentatie, zonder sleutel of toonsoort, alleen voor hemzelf bestemd. Hij schreef alles op wat hem inviel. Ook niet-muzikale gegevens. Boodschappenlijstjes, adressen. Dagboekachtige notities als Zur Weisen Swann, Ich sah sie heut. En hij schreef overal, in cafés en tijdens zijn lange wandeltochten. Het maakte hem tot de romantische kunstenaar bij uitstek: afwezig, altijd met muziek in zijn hoofd, plots stilstaand en noterend, overgeleverd aan de grillen van zijn inspiratie. Musicologen gaan ervan uit dat Beethoven naast vele losse bladen 33 grote schetsboeken en 37 zakschetsboeken volschreef. De latere schetsen waren studies van complexe details en keerden in composities terug. Maar de schetsen die hij tussen zijn vijftiende en tweeëntwintigste noteerde, kregen meestal geen vervolg en bleven wat ze waren: invallen. Ze werden na zijn dood geveild en gaan sindsdien door het leven als de Kafka-fragmenten, vernoemd naar de manuscriptenhandelaar die ze op de veiling kocht.

Padding voltooide enkele Kafka-fragmenten en maakte er een nieuwe compositie van. In de geest van de grote meester. Alleen af en toe buigt hij het stuk naar zijn eigen stijl toe. Wel als Beethoven, maar dan te ver doorgedrukt, of een enkel akkoord dat helemaal van hem is. ,,Ik rommelde door die fragmenten, ik speelde ze, en het was of ik in een kamer vol geesten of zwevende objecten terecht was gekomen. Overal om mij heen flarden van composities. Eerste maten, middendelen, finales. Ik dacht: als ik zo'n flard nou eens gewoon naar beneden haal en doe wat hij heeft nagelaten, namelijk die schetsen afmaken!''

Progressief

Beethoven noteerde alleen de essentie. De uitwerking was hem allang duidelijk of interesseerde hem niet. `Und so weiter bis zu diesem Hauptgedanke', stond er dan bij. Je vraagt je af waarom hij ze niet heeft gebruikt. Misschien waren sommige hem te progressief, te modern, en wist hij nog niet hoe ze te voltooien, suggereert Padding. Bijvoorbeeld een schets die vooruitloopt op de Mondscheinsonate. Daarin werkt hij toe naar een sonate die uit één deel bestaat, in plaats van drie of vier. Dat was toen revolutionair. Andere schetsen heeft hij laten liggen omdat hij zichzelf niet wilde herhalen. Zoals het Zesde Pianoconcert. Hij was al een eind op streek maar het bood hem niets nieuws. In andere gevallen was er geen uitgever of ging een concert niet door. Liet hij de voltooiing gewoon zitten. Ideeën zat.

De vraag is of je die schetsen onbekommerd mag gebruiken. Of het niet van gebrek aan respect getuigt. Beethoven heeft ze tenslotte zelf niet willen voltooien. ,,Dat soort respect ken ik niet. Ik ben mijn eigen graadmeter. Als ik een fragment goed vind, voel ik me vrij het te gebruiken. Vergeet niet dat hij deze jeugdschetsen zelf heeft geselecteerd en bewaard. Hij had ze ook kunnen weggooien. Maar hij begreep dat het blauwdrukken waren, dat hij essenties raakte. En als oude componist bladerde hij ze nog eens door, bestudeerde ze en voorzag ze van commentaar. Dit is van Mozart gestolen, schreef hij dan. Kijk, hij zat zelf ook altijd met zijn fikken aan het werk van anderen, heel vulgair, waarom zou ik het dan niet mogen!''

Padding heeft nooit geschroomd aan de haal te gaan met het werk van andere componisten. Het begon al toen hij zeventien was en les kreeg van de beroemde pianiste Fania Chapiro. Een fantastische vrouw. Stond ze in de keuken en riep ze: ,,Niet met je tweede vinger, Martijn!'' Dan hoorde ze dat zijn vingerzetting verkeerd was. Ze bracht hem in aanraking met moderne muziek. Ze liet hem ook Mikrokosmos van Bartók spelen. Zag hij niet dat Bartók voor de linker- en de rechterhand verschillende voortekens had gebruikt. Het werd een gek stukje. Atonale onzin. Maar toen Chapiro voorspeelde hoe het wel moest, vond hij wat hij zelf had gemaakt veel mooier. Als pianobegeleider aan de Academie van het Nationaal Ballet leerde hij improviseren in de klassieke vorm. Precies op het juiste moment modulaties, transposities. Nuttig was het wel, maar dat begeleiden was dodelijk voor het echte pianospelen. Was toch al niet zijn grote talent. Klep dichtgeslagen en compositieles genomen. Eerst een jaar aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam, daarna drie jaar bij Louis Andriessen aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Ook als componist wierp hij zich zonder scrupules op zijn voorgangers. Berio nam hij onderhanden, Mahler, Monk. Later ook Schönberg. Andriessen niet. Die kent hij te goed, die staat te dichtbij. Je hebt afstand nodig om te reflecteren.

Vitaal en onbevangen

Paddings muziek is vitaal en onbevangen. Hij lijkt van het een naar het ander te springen, onverenigbare muzieksoorten samen te brengen, van renaissance tot jazz. Maar altijd is er een hechte en heel eigen harmonische structuur. Tot voor kort liet hij vooral zien wat hij kon. Maakte hij graag veel herrie. Zoals in het orkeststuk Scharf Abreissen. Het Residentieorkest opgevat als grote band. Een half uur hels geloei. Toen had hij ook dát gehad en werd het tijd voor introspectie. In Mordants (2002) zette hij al dat machtsvertoon van zich af en schiep hij een uiterst ambigu stuk. De viool die meegaat met de piano, maar de piano ook tegenspreekt. ,,Het had een nieuwe klank. Breekbaar. Elementair. Gestileerde gammeligheid. Perfectie is niet geloofwaardig, het is oprechter om de dingen klein te zeggen, een compositie totaal te fileren. Een ontdekking. Na 22 jaar componeren kwam ik bij de essentie aan. Dat fascineert me ook aan de oude Beethoven. Het vermogen jezelf een andere kant op te draaien, jezelf tegen te spreken, al componerende over je eigen werk na te denken.''

Zo heeft Padding zijn stuk voor het Nederlands Blazersensemble ook geconcipieerd. Ze spelen op authentieke instrumenten. Dat klinkt armoedig, basaal. Daarin keert de gestileerde gammeligheid terug. Componist Guus Janssen zet hij achter de piano en laat hem als de oude Beethoven terugkijken naar de jonge hond die hij ooit is geweest. Hij neemt de schetsen door, hij speelt ze, en zijn vroegere fantasieën krijgen opnieuw gestalte en worden verklankt door het orkest. In het orkest zit ook de zanger Frans Fiselier. Hij zingt af en toe een van de vele notities uit de Kafka-fragmenten. Banaliteiten. `Mädchen, mädchen, deine liebe, deine liebe.' Daarnaast muzikale opmerkingen, `nur dieses einzige Forte muss in diesem Stuck vorkommen', dat soort frasen. En natuurlijk het gebrom en gebrul tijdens het componeren. ,,Die oude, dove Beethoven – wat ging er in zijn hoofd om? We weten dat hij zat te zeuren over het notenschrift. Die vijf lijnen vond hij onzin, dat moest anders. En met piano's kon hij zich ook niet meer verenigen, zijn late sonates zijn nauwelijks meer te spelen op de piano's van die tijd. Of neem Die Grosse Fugue, een conceptueel meesterwerk dat totaal voorbijgaat aan gezellig componeren en musiceren.''

Padding kruipt weer achter de vleugel. Hij lijkt gretig. Pianospelen, dat doet hij uiteindelijk toch liever dan praten. Hij zal laten horen wat hij met de fragmenten van Beethoven heeft gedaan. Er zijn vijf delen. Het begint met Beethoven die de fragmenten doorspeelt. Daarna neemt het orkest het over en volgen een symfonie, een fuga en een cantate. In het adagio aan het slot trekt de oude componist het stuk weer naar zich toe. Padding gaat driftig tekeer, schreeuwt boven de muziek uit. Geeft aan hoe de oude Beethoven zich maar niet tot die jeugdige fantasieën kan verhouden. Hoe hij steeds de verkeerde toonsoort te pakken heeft. Hoe hij het orkest telkens weer met zijn overdenkingen en akkoorden ophoudt. Dan duwt hij het orkest helemaal weg en blijft er alleen een bewerking van een fragment over dat wezenloos is, nergens naar toe wil, alleen zichzelf wil zijn. Ongekend modern. Jong materiaal, oud gezet. Transcendent als de late Beethoven. De piano helemaal uitgekleed, de noten griezelig dichtbij. ,,Ik heb het hele stuk geschreven om bij dit laatste deel uit te komen. Beethoven heeft alles gezegd wat er te zeggen valt, het hele dramatische scala is afgewerkt, en de piano gaat glijden, ijl, zo ijl, `zur letszt auf leiseste', met behulp van een computer gaat de piano iets doen wat helemaal niet kan, de piano gaat glissando's spelen, de elektronica neemt het over. Dat is mijn antwoord op het visionaire van de late Beethoven. De onmogelijke piano. De uiterste consequentie van jezelf veranderen. Alles achter je laten. Het onbereikbare bereiken.''

Padding heeft er een jaar lang aan gewerkt. Een jaar lang Beethoven geweest. ,,Het is raar om te merken dat het je eigen muziek wordt. Dat je met even veel plezier muzikale oplossingen verzint in zijn taal als in je eigen taal. Maar elke keer als ik ermee aan de slag ging, dacht ik wel: wat is dit eigenlijk? Wat heb ik hiermee te maken? Die vervreemding heb ik nooit bij mijn eigen werk. Alleen hierbij. Het stuk is een omleiding geweest. In het laatste deel kom ik weer bij mijzelf terug. Die zwevende piano, die staat eigenlijk voor alles wat er na Beethoven gekomen is.''

`Unvollendet', Nederlands Blazersensemble met Guus Janssen (piano) en Frans Fiselier (basbariton): 12 mei in Tilburg, Concertzaal; 16 mei in Amsterdam, Concertgebouw;

17 mei in Haarlem, Wilhelminakerk.