Hij tekende over zichzelf

De 18de-eeuwse dominee Jan Brandes laat op zijn tekeningen Nederlands-Indië en Ceylon zien zoals het was. Daarmee was hij uniek in zijn tijd.

Jan Brandes (1743-1808) was een Lutherse dominee in dienst van de VOC en daarnaast een begaafd amateurtekenaar; van de ruim 600 tekeningen die hij heeft nagelaten zijn (dankzij een paar wonderen, die de wereld dus nog niet uit zijn) de meeste in het bezit van het Rijksmuseum gekomen; de publicatie die nu over deze collectie is verschenen bevestigt nog eens de grote originaliteit van Brandes' manier van observeren. Telkens opnieuw blijkt dat hij, onnadrukkelijk en als bij toeval, een werkelijkheid weergaf die in de bestaande opvattingen te vanzelfsprekend of te onbelangrijk werd gevonden. Dankzij Brandes kennen wij details van het dagelijks leven op Batavia, op Ceylon, aan de Kaap en op de VOC-schepen, die door andere kunstenaars nooit in beeld zijn gebracht.

Zijn tekeningen hebben daardoor, maar ook door een bepaalde aandoenlijke onhandigheid, een heel eigen esthetiek. Een voorbeeld is de serie die Brandes gemaakt heeft van het vangen van olifanten in Ceylon, dat toen voor een groot deel Nederlands was. Deze serie bestaat uit dertien genummerde afbeeldingen; de tweede daarvan, hierbij afgedrukt, geeft een idee van het documentaire geduld waarmee Brandes te werk ging.

Op deze tekening is te zien hoe de wilde olifanten, na binnen een wijde omheining te zijn terechtgekomen, door een grote menigte helpers met fakkels en donderbussen in de richting van een trechtervormige vernauwing werden gedreven. Kleur, ritme en detail van deze tekening zijn onvergetelijk en komen fraai tot hun recht in de zorgvuldige afdruk, beslaande twee bladzijden groot formaat in het boek. In feite vormen deze dertien tekeningen met hun commentaar een nooit gepubliceerde monografie waarin het vangen van wilde olifanten op Ceylon is gedocumenteerd en vastgelegd.

In het verleden hadden deze olifanten de Compagnie grote winsten opgeleverd; een bepaald gebied in het noorden van het eiland betaalde zelfs belasting in olifanten; maar de markt werd steeds slechter en na de door Brandes bijgewoonde vangst van vijfentwintig olifanten op 15, 16 en 17 december 1785 in Topoe (Topuwa), vijfendertig kilometer ten noorden van Colombo, zijn er geen andere meer geweest.

Op Brandes' tekeningen is goed te zien dat de gebruikte methode, het opjagen van de dieren in steeds nauwer wordende ruimtes, grote discipline en organisatie vereiste. Mannen uit alle naburige dorpen werden opgeroepen om te helpen bij de drijfjacht met toortsen. Alles bij elkaar kon de jacht meer dan een maand duren. Voor de Nederlanders waren speciale hutjes op palen ingericht, van waaruit de olifanten konden worden gadegeslagen.

De vier achtereenvolgende steeds kleinere ruimtes werden aangeduid (in het Nederlands) met de woorden losse kraal, speelkraal, maalkraal en noodkraal. Telkens werd achter de dieren een soort rolgordijn van palen neergelaten. In de losse kraal liepen de olifanten nog los, in de speelkraal was het ook nog geen ernst, in de maalkraal kregen ze een maal van pisangs, en in de noodkraal, een nauwe overdekte gang, werden ze door gespecialiseerde olifantendrijvers gevangen en vastgebonden.

Al deze stadia zijn door Brandes schitterend in beeld gebracht: terwijl de wilde olifant wordt vastgebonden zegt één man een gebed, een andere leidt zijn aandacht af, nog twee anderen houden palmtakken voor zijn ogen; dan, gebonden aan nek en achterpoten (het vastbinden van de olifanten doet denken aan het vangen en vastbinden van Gulliver door de Lilliputians), krijgt hij het gezelschap van twee tamme olifanten waar hij tussenin komt te staan; hij krijgt zijn eigen oppassers, hij wordt gemeten, vervolgens gedoopt met drie emmers water en hij krijgt een naam. Een deel van deze informatie komt uit de bijschriften waarvan Brandes zijn tekeningen heeft voorzien. Ze bevatten soms wel een paar contradicties: zo is volgens het ene de wilde olifant na acht dagen getemd en moet dan het gezelschap van zijn twee soortgenoten missen, volgens het andere duurt het een paar maanden en blijven de twee tamme kameraden al die tijd bij hem: wanneer hij naar de waterplaats wordt geleid, zo lees je getroost, komen ze altijd met hem mee.

Hoe lang, zo vraag je je af, heeft het geduurd voor dat vangritueel deze gedaante had gekregen? Er is wel gezegd dat deze methode afkomstig was van de Portugezen, maar er zijn aanwijzingen dat het al lang voor hun komst in die vorm bestond. Nederlands was het in elk geval niet, maar iets dat niet aan je voorbijgaat is hoe Hollands het er niettemin toeging. Op de tekeningen van Brandes zie je de Ceylonezen ronddraven met Nederlandse vlaggen en ook dat dopen heeft iets bekends. De namen die de mannelijke olifanten kregen waren meestal plaatsnamen uit de zuidwestelijke provincies, zoals Alutkur Korale, Negombo, Kalutara, maar zes van de dieren kregen Hollandse vrouwennamen: Apolonia, Katharina, Wilhelmina, Maria, Elisabeth en Sophie – behalve de eerste allemaal namen uit mijn familie, maar dat moet op toeval berusten. In ieder geval heb ik elk van die dertien tekeningen (afb. 73-86 in het boek) zo vaak en zo verlangend bekeken dat ik ze uit mijn hoofd ken. Stuk voor stuk zijn ze zo ontroerend en aangrijpend dat je alleen al daarvoor het hele boek zou kopen, hoewel het niet goedkoop is; maar er is nog zoveel meer. Een van de dingen die Brandes' tekeningen uniek maakt is bijvoorbeeld dat zij een indruk geven van iets waar verder geen afbeeldingen van bestaan: het leven van kinderen in de Compagniestijd.

Het boek bevat daarvan behalve de beroemde gekleurde platen van Brandes' zoon met een Javaans kind, waarover ik al eerder in het Cultureel Supplement heb geschreven, ook voorbeelden die ik nog niet kende, zoals de prachtige waterverftekening van dezelfde twee spelende kinderen op een Bataviase voorgalerij plus nog een paar ongekleurde potloodtekeningen. Brandes' behandeling van kinderen verschilde totaal van de manier waarop kinderen afgebeeld werden in de officiële schilderkunst; zijn tekeningen zijn aandachtig en liefdevol, impressionistisch en ongestileerd.

Datzelfde geldt ook voor de manier waarop Brandes Indonesische gezichten weergaf, zoals die van de slavinnen Roosje, Flora, en Sara, volkomen anders dan de voorstelling van Aziaten in de klassieke stijl. Je ziet ze en herkent het meteen: dat zijn Indonesische gezichten zoals ze werkelijk zijn, niet Europese gezichten in een exotische aankleding, maar vol eigen individuele expressie zoals ik me herinner uit mijn kinderjaren, zodat het is of ik hun stemgeluid kan horen. Brandes was de enige in zijn tijd die dat zo zag – onbevangen, onbeïnvloed en oorspronkelijk.

Jan Brandes werd geboren in Bodegraven. Hij studeerde theologie in Leiden en in Greifswald (in Pommeren); van 1648 tot 1815 was de stad Zweeds: dat verklaart vermoedelijk de Zweeds-Lutherse oriëntatie van Brandes' leven. Hij was Luthers predikant in Doetinchem en in 1778 werd hij beroepen in Batavia, waar sinds 1743, dankzij de bemoeienissen van Gustaaf Willem van Imhoff, de Lutherse godsdienst werd toegelaten. Kort voor zijn vertrek trouwt hij Anna Geertruy (`Truy') Krebber, de dochter van een burgemeester, en vijf maanden na hun aankomst op Batavia wordt een zoon geboren die aan boord moet zijn verwekt.

Deze zoon, ook Jan genaamd, moet al na minder dan een jaar zijn moeder verliezen: Truy overlijdt in 1780 aan dysenterie. Brandes hertrouwt niet, het kind krijgt een lijfbaboe, in die tijd nog werkelijk een slavin. Er zijn aanwijzingen dat Brandes een verhouding heeft gehad met een of meer slavinnen, die hij overigens slecht behandelde, maar die hij wel liefdevol heeft getekend en naar wie hij jaren later, als hij na ze hun vrijheid te hebben gegeven Batavia al heeft verlaten, nog zal informeren.

Op Batavia werd Brandes het leven zuur gemaakt door een collega-dominee genaamd Johannes Hooyman; deze zieleherder, die zich in allerlei onfrisse zaken verrijkt had en in een Chinese geschiedenis van Batavia (gepubliceerd in 1840) als `hoogst onbetrouwbaar' werd gekenschetst, liet door de Kerkeraad een resolutie aannemen, luidend: `Draagen wij alle volleedige kennis van de groote onbekwaamheid van zijn Eerw. voor de gewigtige pligten van het predikambt', en `zig weynig of niet hebbende beziggehouden met de voor een predikant zoo noodzakelijke letteroefeningn, maar wel integendeel met teekenen en schilderen, met het opzetten van vogelen, met het bearbeiden van zijn thuin.'

Die `thuin', zo ontdekte ik in dit boek, had Brandes met het bijbehorende huis gekocht van Gijsbert Hemmij – dat moet dezelfde Gijsbert Hemmij zijn die op 8 Juni 1798 tijdens de Hofreis in Japan, ver van zijn geboorteplaats Kaapstad zou overlijden en wiens graf in Kakegawa ik in 1972 en 1999 heb bezocht. Hemmij was een gecultiveerd man en onderscheidde zich als Opperhoofd op Deshima doordat hij uit Indië meegebrachte Javanen geleerd had viool en cello te spelen; het is of dat helpt om Brandes te zien in een niet volkomen vreemd huis.

Na het op Batavia zes jaar te hebben uitgehouden ging Brandes met zijn zoon via Ceylon en Kaapstad naar Nederland terug. Al na vrij korte tijd vertrok hij vandaar naar Zweden, waar hij tot zijn dood in 1808 heeft gewoond. Het was daar dat hij allerlei schetsen heeft uitgewerkt en sommige van toelichtingen in het Zweeds heeft voorzien. Het is een vreemde gedachte dat niets van dit alles bekend zou zijn geworden als de aankoop van een grote Brandes-collectie door het Rijksmuseum in Londen mislukt was, zoals bijna is gebeurd. Het voert te ver om dat hier te beschrijven, maar het is een ongelofelijk verhaal, dat bij de presentatie van het boek nog eens in geuren en kleuren werd verteld. Zonder de opmerkelijke dosis oentoeng (geluk) die daaraan te pas kwam zouden de meeste van Brandes' tekeningen en manuscripten zich nu in de handen bevinden van allerlei rijke verzamelaars verspreid over de hele wereld, zoals volgens de wetten der waarschijnlijkheid het geval moet zijn met soortgelijke dingen die daardoor onbekend zijn gebleven.

Nog ongelofelijker is wat er gebeurd is met een deel van Brandes' nalatenschap dat in Zweden in een provinciale bibliotheek, de Stiftsbiblioteket van Linköping, terecht was gekomen. In deze biblioteket brak in 1996 brand uit, waarbij een groot aantal boeken verloren ging. Geleid door de hemel weet welke intuïtie is Bas Kist, de helaas kortgeleden gestorven conservator van de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum, toen op zoek naar een bepaalde tekening naar Linköping gereisd. Hij ontdekte daar tussen de verkoolde resten de als door een wonder gespaard gebleven pakken dagboekaantekeningen van Brandes, waarvan niemand het bestaan meer kende, en die allerlei ontbrekende informatie bevatten bij de tekeningen in de Rijksmuseum-collectie. Ook de tekening was ongeschonden.

Een vraag die zich voordoet bij al dat materiaal, vooral bij al die honderden ongelofelijk gedetailleerde tekeningen van mensen, interieurs, voorwerpen, dieren en planten, al dat materiaal dat hem een onvoorstelbaar aantal uren, het grootste deel van zijn tijd moet hebben beziggehouden, is: wat wilde hij ermee? waar deed hij het voor?

Het antwoord luidt, geloof ik: hij deed het voor zichzelf. Uit niets blijkt dat hij het materiaal wilde publiceren of aan een museum of onderwijsinstelling geven; veel ervan is van onschatbare wetenschappelijke waarde, maar een werkelijk systematische wetenschappelijke motivering had hij niet. Hij had geloof ik een instelling die daaraan voorafgaat: nieuwsgierigheid naar hoe de dingen werkelijk zijn, hoe ze er uitzien, hoe ze functioneren, hoe mensen uit andere culturen ze interpreteren, zonder enig vooroordeel over hoe ze er uit moeten zien en hoe ze moeten worden geïnterpreteerd. Het toeval regeerde, soms maakte hij (blz. 43) een tekening uit een koffievlek. Dit maakt The World of Jan Brandes tot een van de meest fascinerende boeken die ik ken.

Natuurlijk is er als 't moet ook wel wat te mopperen; wat ik persoonlijk nogal betreur is dat het boek in het Engels is vertaald. Je kunt je afvragen of de markt voor de Nederlandse versie zoveel anders zou zijn geweest. Ik ervaar het als tragisch dat een zo Hollands onderwerp niet in het oorspronkelijke Hollands verschijnt, maar in een saai, uniform en onpersoonlijk Engels, allemaal hetzelfde; er zijn sporen van het feit dat sommige van de vele auteurs een puntiger en eleganter Nederlands schreven dan sommige andere, maar dat is nu allemaal onder de klamme deken van dat ongeïnspireerde Engels verborgen. Ook spijt het mij dat op deze manier de oorspronkelijke vorm van sommige uitdrukkingen en uitspraken verloren gaat; zo heb ik mij ingespannen om het oorspronkelijke Nederlands van dominee Hooijens terug te zoeken, maar het boek geeft het in 't Engels. Je weet soms niet of een uitdrukking vertaald is, bijvoorbeeld ,,`boys' was the standard term for male slaves''. Bij een krachtterm als de `shitty attestation' van de Kerkeraad vraag je je af wat er precies in het Nederlands stond, zoals ook bij uitdrukkingen als `for fun', of `the cooking of patrons'(blz. 32), etc.

Zo is er nog wel meer, maar het feit blijft: wie de kans voorbij laat gaan om een exemplaar van dit boek te bemachtigen doet zichzelf ernstig tekort.

`The World of Jan Brandes. Drawings of a Dutch Traveler in Batavia, Ceylon and Southern Africa' (red. Max de Bruijn en Remco Raben) is verschenen bij Uitg. Waanders. Prijs €80

De olifant wordt vastgehouden, één man zegt een gebed

Het is een van de meest fascinerende boeken die ik ken