Het recht van de cultureelste

Wat bepaalt de gevechtskracht van een leger? Een historicus zoekt het antwoord deels in culturele factoren.

Waarom vecht een leger zoals het vecht? Welke factoren bepalen zijn strijdwijze? De antwoorden lijken duidelijk. De vechtwijze wordt bepaald door doctrine, leiderschap en inzicht van de officieren, de vaardigheden van de lagere militairen, discipline en moreel, logistieke mogelijkheden en het vermogen inlichtingen te vergaren en te benutten. Het zijn elementen van de militaire organisatie zelf die bepalen hoe er wordt opgetreden. Maar er is meer aan de hand.

Neem een vaak aangehaald voorbeeld uit de recente militaire geschiedenis. De Arabisch-Israëlische oorlogen vanaf 1948 laten zien dat de legers van de Arabische naties niet opgewassen waren tegen het Israëlische, hoewel zij doorgaans over meer manschappen en meer en beter materieel beschikten. Hun officieren waren ordentelijk opgeleid aan militaire academies en technisch geschoold; oorlogsvoorbereiding en doctrinevorming hadden plaats zoals dat overal gebeurde. En toch werden de Arabische legers verslagen.

Waar het aan schortte, was aan de cultuur van de militaire organisatie en aan de personele kwaliteit van de militairen. Er heerste een verstikkend hiërarchische denkwijze in de strijdkrachten. Officieren minachtten de soldaten, soldaten waren bang voor hun officieren. Lagere officieren waren op hun beurt bang voor hogere en durfden in oorlogssituaties hun meerderen niet te confronteren met slecht nieuws. Leiderschap op lager niveau bestond niet, men wachtte orders af.

Over dit onderwerp gaat het nieuwe boek Battle van de Amerikaanse historicus John Lynn, hoogleraar in de militaire geschiedens aan de universiteit van Illinois en specialist in de achttiende-eeuwse Franse militaire geschiedenis. Het is een historische studie over de culturele bepaaldheid van de manier waarop legers vechten. Het is zijn stelling dat de fundamentele verklaring van de wijze waarop een leger strijdt niet te vinden is in de militaire organisatie zelf, maar in de samenleving en de cultuur waaruit het leger voortkomt.

Antropologen gaan daar al langer vanuit, maar met een open oog voor het complexe karakter van wat dan `cultuur' heet. Een toonaangevend boek was dat van de Amerikaanse antropoloog H.Turney-High, Primitive warfare, its Practice and Concepts (1971). Sindsdien hebben antropologen meer oog gekregen voor de interactie tussen inheemse concepten over oorlogvoering enerzijds en politieke en economische factoren (bijvoorbeeld van westerse koloniale mogendheden) anderzijds. Op het gebied van de militaire geschiedenis heeft dit tot interessante studies geleid, waarin de culturele aanpak soms op de spits wordt gedreven. De aanzet tot de `culturele benadering van de oorlog' gaf John Keegan in zijn A History of Warfare (besproken in Boeken, 12.03.94) en War and our World (besproken in Boeken, 12.03.94). De bekendste vertegenwoordiger van deze benadering is de Amerikaanse oud-historicus Victor Davis Hanson, ook actief als rechts publicist en neoconservatief. Hij legde in zijn Why the West has won (Boeken, 21.09.01) een direct verband tussen de wereldwijde westerse militaire superioriteit en westerse waarden als vrijheid, individualisme en democratie.

Discipline

Dat is een opmerkelijke (en ideologisch beladen) stelling, omdat het militaire succes van het Westen in de moderne tijd doorgaans juist wordt verklaard door de collectieve discipline en zelfs het `machinale' karakter van westerse legers. Zij vochten niet als een verzameling individuen op zoek naar persoonlijke eer (zoals bijvoorbeeld nog de jannitsaren van het Ottomaanse rijk), maar als geordende eenheden, strikt aangestuurd door hun officieren. Juist daarin – en in hun superieure vuurkracht – lag het succes van Europese legers in de achttiende en negentiende eeuw. De mechanisering van de oorlogsvoering in de twintigste eeuw, met mitrailleurs, tankeenheden en bommenwerpers, voegde daar nog een dimensie aan toe.

Lynn werkt zijn idee uit in acht aparte hoofdstukken die elk een specifieke militaire traditie of oorlog tot onderwerp hebben. Ze gaan over de oorlogvoering tussen de Griekse steden in de Oudheid, de oude Chinese en Indiase oorlogstradities, de middeleeuwse, de achttiende-eeuwse en de Napoleontische oorlogvoering in Europa, de Brits-Indische sepoylegers van de achttiende eeuw, de strijd tussen Japan en de Verenigde Staten in de Stille Oceaan tijdens de Tweede Wereldoorlog en tenslotte de Yom Kippoer-oorlog tussen Israël en zijn buren in 1973.

Het is een tamelijk willekeurige keuze en de hoofdstukken zijn ongelijk in kwaliteit, maar bij elkaar vormen ze een goede illustratie van het thema. Ze vergen geen specifieke voorkennis omdat de historische context goed wordt gepresenteerd. Steeds analyseert Lynn de verwachtingen en idealen, de conventies en regels, kortom, de culturele codes die elke samenleving in de betrokken periode ten aanzien van de strijd formuleerde en laat hij zien hoe zij de strijdwijze dicteerden of richting gaven. Maar ook toont hij hoe de realiteit van het slagveld niet beantwoordt aan de culturele codes, idealen en verwachtingen, maar deze op zijn beurt juist beïnvloedt, verandert, terzijde schuift of irrelevant maakt.

Met apodictische uitspraken over de invloed van de cultuur op de strijd alleen komen we er echter niet. Lynn ziet af van verdere theoretische bespiegelingen, behalve enkele voorzichtige notities in een appendix, maar deze benadering vereist verdere uitwerking. De tegenstelling culturele versus politieke factoren (zoals Keegan die ook al maakte) is een valse. Wat betreft de ineffectiviteit van de Arabische legers bijvoorbeeld, kan de culturele factor moeilijk worden gescheiden van de politieke, zoals die tot uiting komt in het gebrek aan democratie en politieke en intellectuele vrijheid die de Arabische wereld in de afgelopen eeuw steeds meer is gaan kenmerken.

De ongelijke kwaliteit van de hoofdstukken is af en toe storend. Het stuk over Napoleon (en Clausewitz) is te beperkt en te sterk gebaseerd op één auteur. Bovendien eindigt het een beetje kort door de bocht met Clausewitz' `verantwoordelijkheid' voor de overigens door alle partijen gekozen strijdwijze in de Eerste Wereldoorlog. Het hoofdstuk over de oorzaken van het kortstondige succes van het Egyptische leger in het begin van de Yom Kippoer-oorlog is ongeloofwaardig.

Plundercampagne

Het hoofdstuk over de middeleeuwse oorlogvoering daarentegen is fraai en geeft mooi het contrast weer tussen de gewenste strijdwijze van de ridders (en de stilering ervan in het toernooi) en de harde werkelijkheid van de chevauchée, de georganiseerde plundercampage bedoeld om de bevolking te ruïneren en de vorstelijke macht te ondermijnen. Goed is ook Lynns betoog dat de culturele verschillen tussen een `westerse' en een `oosterse' wijze van oorlogvoeren, waarvan Keegan nog zo hoog had opgegeven met de `humane' Sun Tzu tegenover de `bloeddorstige' Clausewitz, helemaal niet zo groot zijn en eerder als gradueel moeten worden beschouwed.

Bijzonder boeiend is zijn demontage van het werk van de historici John Dower en Ronald Takaki die de strijd tussen de Verenigde Staten in Japan in de Pacific als een `raciale strijd' hebben beschreven (van de kant van de Amerikanen, wel te verstaan) en raciale motieven hebben aangevoerd voor de beslissing om de atoombom tegen Japan te gebruiken. Lynn laat zien dat twee culturen tegenover elkaar stonden die voor elkaar totaal vreemd waren, ook in militair opzicht. Eén voorbeeld: tijdens het offensief tegen de Japanners in 1943 en 1944 viel het de Amerikanen op hoe weinig Japanse militairen zich overgaven. Op Tarawa: 8 uit een strijdmacht van 2570, de rest was gesneuveld; op Roi-Namur 50 van de 3500; op Kwajalein: 79 van de 5000. Vergelijk dat met cijfers over bijvoorbeeld de Amerikanen en hun inheemse hulptroepen op de Filippijnen in het begin van de oorlog: 76.000 man gaven zich over, of, met de cijfers van de Britse en imperiale troepen in Singapore: 130.000 of het KNIL in Nederlands-Indië: 42.000.

Helden versus lafaards? Nee, het idee van een `eervolle overgave', zoals dat aan Amerikaanse en Europese zijde leefde, sprak de Japanse militairen niet aan. Het leefde niet in de codes en de keizercultus die zij in Japan hadden gevestigd. Japanse militairen dienden te vechten tot de dood er op volgde en zij deden dat ook.

John Lynn: Battle. A History of Combat and Culture. From Ancient Greece to Modern America. Westview Press, 399 blz. €35,–