Het kwieke genie Sonny Rollins in absolute topvorm

Had Sonny Rollins na de jaren vijftig nooit meer een plaat gemaakt, dan nog was hij opgenomen in het jazzpantheon. Albums als Way Out West, A Night At The Village Vanguard en Tenor Madness hadden hem al voor zijn dertigste op gelijke hoogte gebracht met `tenorgoden' Coleman Hawkins, Lester Young en John Coletrane. Rollins was – zoals de titel van zijn sleutelwerk uit 1956 onomwonden stelde – een Tenor Colossus. En dat is hij nog steeds. Want hoewel hij studiobezoek ooit bestempelde als `een traumatische ervaring' bleef hij opnemen, met This Is What I Do uit 2000 als voorlopig laatste hoogtepunt.

Behalve erkenning kende het genie ook twijfel. Een paar keer was hij enkele jaren spoorloos. Bleek later dat hij op straat, ver weg van kritiek en publiek, had staan slijpen aan zijn techniek. Dat perfectionisme is over de tijd alleen maar gegroeid. Rollins' weerzin van de automatische piloot houdt zijn lijstje concertdata de laatste jaren beperkt. En als hij dan weer eens in Nederland speelt, is er altijd die spanning: wordt het een avondje geïnspireerde hoogstandjes of heeft het genie de juiste vibe niet kunnen vinden?

Maar de alles-of-niets-blazer die gisteravond op het podium van het Concertgebouw stond, oogde zeer ontspannen. Als een muzikale Mohammed Ali huppelde de bijna 74-jarige van de ene betrimschoende voet op de andere. En dat decennia oude regime van fitness, fruit en Boeddhistische yoga doet longen en lippen blijkbaar ook geen kwaad. Want Rollins pakte meteen uit met een kwartierlange solo die duidde op een absolute topvorm. De saxofonist boog de melodie links en rechts, spiegelde hem, becommentarieerde zichzelf en strooide met voetnoten. En dat alles zonder ook maar één keer in herhaling te vervallen of een cliché te gebruiken. Voor de band bleef niets anders over dan het onderhouden van de groove.

Nou wordt er al jaren geklaagd dat Rollins zich laat omringen door kleurloze lakeien. En het moet gezegd worden: ook het viertal dat gisteren de meester diende ontsteeg de middelmaat niet. Trombonist Clifton Anderson en bassist Bob Cranshaw beperkten zich veelal tot ondersteuning. Drummer Steve Jordan mepte weliswaar venijnig en energiek. Maar hij bleef lichtjaren verwijderd van de subtiliteit die Max Roach tentoonspreidde op The Freedom Suite (1958) of de kale efficiëntie van Shelley Manne op Way Out West (1957). Wat Kimati Dinizulu met zijn onaangeroerde collectie percussietuig op het podium te zoeken had, bleef onduidelijk.

Maar wie een kaartje koopt voor een Sonny Rollins-concert, komt niet voor de band. Die komt voor de `grootste nog levende improvisator ter wereld'. En Rollins stelde allerminst teleur. Was zijn aandeel in `HS' nog exquise decoratie bij solo's van Anderson en Cranshaw, in `St Thomas' trok hij alle registers open. Hij speelde de calypso alsof het overbekende nummer hem net te binnen was geschoten. En die frisheid bleef intact tot de laatste noot van de smeuïge toegiftblues was weggestorven.

Het is te hopen dat Rollins nog lang zo kwiek blijft. Want Hawkins, Young en Coletrane zijn inmiddels allang naar de muzikantenhemel vertrokken. De Tenor Colussus is de enige die ons er nog aan kan herinneren hoe een levende legende klinkt.

Concert: Sonny Rollins. Gehoord: 6/5 in het Concertgebouw, Amsterdam.