Gemengd wonen in het Palazzo di Ivo

De gemeente Rotterdam wil kansarme nieuwkomers spreiden over stad en regio. Geen probleem, er zijn genoeg halflege huizen.

Als Rotterdam zijn kansarmen werkelijk over de stad wil spreiden, weet ik wel een oplossing. Daar hoeft het gedachtegoed van Pim niet op nagelezen te worden. Die woonde trouwens in zijn eentje in de villa Palazzo di Pietro waar wel twintig kansarmen bij hadden gekund. Dat zou al een deel van de oplossing zijn geweest.

Fortuyns voormalige `Paleis van Piet' staat in een wijk die al gemengd was lang voordat het begrip `gemengde wijken' het speerpunt van het gemeentebestuur zou worden. Ik woon er zelf ook, niet in een villa, maar op een bel-etage, in een tussenlaan. Het Nieuwe Westen van Rotterdam, dat in de decennia rond 1900 werd aangelegd, geeft op voorbeeldige wijze de standenmaatschappij van die tijd weer. De brede lanen voor de rijken, de iets smallere tussenlanen voor het middenkader en de smalle zijstraten voor de arbeiders.

Aan dit stedenbouwkundig concept is weinig of niets veranderd. Onroerend goed verroert zich niet als het niet wordt gesloopt. Er zijn wel tijden geweest dat de boel behoorlijk stond te verloederen. De grote herenhuizen werden zelfs voor de heren te duur in onderhoud, stookkosten en personeel. Wie het kon betalen verkaste naar de buitenste randen van de stad, waar de nieuwe villawijken werden gebouwd, of verdween voorgoed uit de werkstad. Rotterdam heeft altijd moeite gehad zijn rijken vast te houden. In 1873 merkte een Italiaanse schrijver al op dat te Rotterdam fortuin wordt vermeerd, te Amsterdam beheerd en te 's Gravenhage verteerd.

In de verlaten panden vestigden zich kantoren, hier en daar kwam een bordeel met opwindende beloften in neon op de gevel en permanent gesloten rolluiken, waarachter de internationale vrouwenhandel zijn gang kon gaan. Met het toenemen van de hypothecaire welvaart schoof een generatie nieuwe rijken uit de zijstraten op naar de lanen en tussenlanen. Anderen verdwenen snel naar de blanke buitenwijken en slaapsteden toen de zijstraten in toenemende mate werden bezet door het nieuwe, kleurrijke, veeltalige en internationale proletariaat.

De pet van Jan de werd de fez van Ali, de zondagse hoed waarmee Truus haar wijkgebonden denominatie bezocht het dagelijkse hoofddoekje van Naima achter de kassa van de supermarkt. In mijn buurt behoor ik inmiddels tot de blanke minderheid. Daar valt niets meer te mengen of te spreiden, zoals in alle woonwijken het palet vol is. Wie nu de Lijnbaan afloopt, ooit de winkelstraat voor welvarend blank Rotterdam, ziet dat de vermenging van de vele nationaliteiten al lang een feit is, dat de Euromast bij wijze van spreken onze toren van Babel is.

Dus wat wil het gemeentebestuur eigenlijk, als het het over gemengde wijken heeft? Rijkdom en armoede hebben hier altijd al, zo niet naast elkaar dan toch bij elkaar in de buurt gewoond. Zelfs de betere wijken als Kralingen en Hillegersberg hebben hun arme buurten. In de rijke delen staan genoeg huizen halfleeg waarin nog veel gemengd zou kunnen worden.

Te beginnen bij de burgemeester. Het Palazzo di Ivo in Kralingen is een kast van een huis, vier verdiepingen hoog, minstens de inhoud van een halve zijstraat, voor hem en zijn vrouw alleen, want hun kinderen zijn de deur uit. Als hij werkelijk de burgervader van alle Rotterdammers wil zijn, wat hij niet moe wordt te verkondigen, zou hij tenminste het voorbeeld kunnen geven. Goede voorbeelden zijn zo oud als de weg naar Kralingen. De slechte trouwens ook.