Een jurk van sliptongetjes

Het werk van Hélène Min gaat over water en zee of over lucht en vogels. Haar materiaal is vissenleer. ,,Het vormt bij wijze van spreken zichzelf.''

`Onder de oppervlakte wordt de zee steeds wijder', schreef een vriend in zwierig handschrift. Zestien jaar was ik, een meisje dat nog nooit van iemand een gedicht had gekregen. In een onbestemde bui komt die dichtregel boven, de enige die ik van het vers onthouden heb. Waarom hou ik van zwemmen? Onder water is het stil, net als soms op het toilet. Zwemmen is als doortrekken: meegezogen, afgesloten, een hap adem – weer opnieuw. Vrolijk vult de stortbak zich. Onder water kun je je waarachtig terugtrekken, net als op een eiland trouwens. Of in een wal-le-vis, zoals Jonas.

In 2000 leerde ik op het Spaanse eiland Formentera Hélène Min kennen. We logeerden in een via het Prins Bernhard Cultuurfonds ter beschikking gestelde villa zonder stroom, omringd door eucalyptusbomen. Ik kwam er om te schrijven, Hélène Min om te tekenen. Ondanks dat het november was, zwommen wij dagelijks in de Middellandse Zee.

Vroeg in de ochtend vertrok Min met haar tekenspullen naar de oude zoutmeren. Eens had men er zout gewonnen door zeewater te laten verdampen in kilometers lange stenen bassins, nu was het terrein vervallen, omzoomd door een duinachtig landschap – Min maakte er tekeningen onder water. Ze hield aquarelpapier in een waterbekken, sprong er zelf in, en schetste met losse hand bewegingen onder het wateroppervlak, prachtige kronkels op papier.

Bijna al het werk van Min (1948) gaat over water, zee, vissen, of – gespiegeld – over lucht en vogels. Haar materiaal bestaat vaak uit vissenhuid, urenlang bewerkt tot eigenaardige, soms sprookjesachtige voorwerpen. Soms gigantisch, dan weer fragiel, zoals het flesje afgesloten met een dop van gele was, gevuld met doorzichtige vloeistof (gietrubber) waarin een frutsel van vissenhuid drijft. Het heet Meerminnetje in fles en is momenteel te zien in 't Fiskerhúske in het Friese gehucht Moddergat.

In Spanje vertelt Min dat ze voor een muzikale bewerking van Aristophanes' De vogels ooit vogelkoppen had gemaakt, constructies van hout en vissenhuid. Later heb ik de maskers gezien op haar atelier en in een film van Puck van Dee (1986). Snavels van schubben, kammen van graten, theatrale koppen die op de schouders rusten, klankkasten voor zangers.

Tijdens een zwerftocht over het eiland raapte ik een dode vogel op. Ik weet niet waarom ik het kadaver meenam, waarschijnlijk omdat het nog vers was. Een mooi beest, maar wel een armzalig geschenk. Hélène Min stopte de vogel in een bak water, in het vriesvak.

Ik zie nog voor me hoe ik, dagen later, aan het eind van de middag op de binnenplaats kwam, waar zij het gigantische ijsblok aan het fotograferen was. De zon scheen door het ijs dat de zwarte vogel gevangen hield, het blok glansde van het smeltwater.

Als ik nu denk aan het opgesloten dier in combinatie met de onderwatertekeningen lijkt het of niet Hélène Min, maar de kraai met zijn klauwen de krijtlijnen krabbelde. Een vogel die wil zwemmen.

Haardhout

Min komt uit een Bergense kunstenaarsfamilie. Haar grootvader en broers beplantten de duinen van Bergen tot Bergen aan zee met helmgras. Bij Groet in de duinrand staat het beeld Helmplanter dat ze maakte in opdracht van de gemeente Schoorl. Min noemt het ,,een getekend beeld, losgeknipt''.

Wat zij daarmee bedoelt (ik heb het beeld nooit in het echt gezien), wordt me pas duidelijk als ik een uitspraak van haar lees: ,,De zwaarte van vaste materialen staat mij tegen. Ik wil dat mijn beelden zijn als een windvlaag die iets meevoert, een geur, een gedachte, (...) zoals een brief waarin je tussen de regels het bedoelde leest.''

Deze tekst staat op een dun vel papier met zilveren en zwarte schubben. Een verhaal over Mins werk: `zwevende installaties van vissenhuid, schubben en graten.'

Min was dertig toen zij naar de Koninklijke Academie in Gent ging en had al een leven achter de rug, met twee kinderen, een man, een galerie in Egmond. Na haar studie vestigde ze zich in IJmuiden.

De vissers daar noemen haar Lena en voorzien haar nu al jarenlang van vissenhuid: ,,De vis wordt gesorteerd op grootte. Ik werk graag met tong 7, dat is een toprestaurant-tong: een kanjer. Naar de snackbars gaat 4 of 5. Vroeger had je op de veiling nog `roepers' en `noemers'. Nu wordt er geveild op een klok, maar een paar jaar geleden galmden de roepers een lied voordat de vis de wereld in ging. De vis werd in kisten getoond, de handel bestond uit bieden in zangerige klanken.''

Verpakt in vis heet de expositie in Moddergat. Museum 't Fiskershúske ligt aan de waddendijk en bestaat uit een vijftal vissershuisjes, waar – naast de geschiedenis van het dorp en het vissersleven – tijdelijke exposities te zien zijn. Zoals nu: objecten van en met vissenhuid.

Voor we het museum in gaan, lopen Min en ik de dijk op en kijken we over de waddenzee. Op een stenen monument staat in het Fries dat in 1883 ,,in swiere storm 83 man en 17 skippen'' vergaan zijn.

Het is druk op het Fiskerspaad want het is museumweekend. Op de dijk hangen verse scharren in een kast met vliegengaas te drogen. Een meneer loodst ons naar binnen en vertelt over het `wirmdollen', het wormsteken dat de vissersvouwen dagelijks deden tot in de twintigste eeuw. Pierensteken op het wad, in een mannenbroek van wit flanel gedragen over de rokken. ,,Tegen de blaasontsteking'', vertelt onze gids olijk, en hij weet nog veel meer bijzonderheden: een schippersvrouw moest dagelijks 1000 tot 1200 dikke, behaarde wormen steken en ze ook nog aan haken rijgen zodat hun mannen die konden uitwerpen in zee. Stel je eens voor hoeveel dat er per jaar zijn.

,,It resultaat is in transparant flues en deryn soarget de tekstuer fan skobben, sturt en finnen foar in fassinaerjend effekt'', staat op een bordje in het Fries, als toelichting op Mins werk. ,,Het resultaat is een transparant vlies, waarin de tekstuur van schubben, staart en vinnen voor een fascinerend effect zorgt.'' Het betreft het Doopjurkje, voor Yael. Een jurk van sliptongetjes en tarbot doorschijnend als kant, opgedragen aan haar eerste kleinkind. Gelaagde vissen als onderrok, met mutsje en schoentjes.

Zeemeerminnenei

In een andere vitrine liggen `zeemeerminneneieren', doorzichtige bollen van vissenhuid, hard als perkament. Een bezoekster wil van de kunstenares weten, ,,hoe u dat toch gedaan heeft.'' Min legt uit dat ze schoongemaakte buiken van roggen gebruikt en aan elkaar plakt. ,,Het materiaal vormt bij wijze van spreken zichzelf, je hoeft alleen maar een beetje te helpen.''

Stichting 't Fiskerhúske exposeert unieke kunststukken gemaakt van vissenleer (waarvan 17 objecten van Min). In vitrines liggen zorgvuldig uitgelichte objecten uit particuliere verzamelingen, vervaardigd van kostbaar segrijn, de huid van rog of haai. Luxeartikelen zoals een bijbel uit de achttiende eeuw, een foedraal, een parfumflesje, een toneelkijker, een sabelgevest van haaienleer. Maar ook een damestas van nijlbaars, een sterke vis die wel een meter lang kan worden, ontworpen in 1993 door tassenontwerpster Maria Hees.

Min beaamt dat de huid van vis bewerkelijk is. ,,Je kunt niet zomaar stoppen, het moet in één keer, anders begint het te krimpen. Soms werk ik heel lang achter elkaar. Je moet je blijven concentreren. Ik werk het liefst als het ijskoud is, als mijn hand geen controle meer heeft – net zoals bij het tekenen onder water. Door niet meer te denken gaat het vanzelf, zoals een vogel opvliegt als hij schrikt.''

Hélène Min stelt haar sculpturen van vissenvel het liefst loshangend in de ruimte tentoon. In haar atelier, een oude scheepshelling in Amsterdam-Noord, bereidt ze momenteel een expositie voor. Ze toont de lage vertrekken, gangen vol rollen met oude scheepskaarten, geheimzinnige opslagruimten en ten slotte haar werkplek. Ze rolt een tapijt van vissenhuiden uit. Op de grauwwitte muren heeft ze met spierwit plakband het verloop van het licht afgeplakt, als een baan die over de muur kruipt. ,,Licht speelt een belangrijke rol in mijn werk'', zegt ze ,,Als kind droomde ik eens dat ik een fietswedstrijd naar zee met mijn moeder deed. Ik fietste zo hard dat ik niet meer op tijd kon remmen en in zee stortte. Daar zag ik op de bodem parelmoeren gebouwen, zeemeerminnen zwaaiden naar me. Er was me verteld dat Egmond aan Zee ooit in zee was verdwenen. Door die beelden loste mijn angst voor het donkere water op.''

In mijn ervaring doen mensen veel meer moeite om te vermijden wat ze vrezen dan om te bemachtigen wat ze willen hebben. Het najagen van een droom moet wel licht zijn, wil ze niet verdrinken.

`Verpakt in Vis', Museum 't Fiskerhúske, Fiskerpaad 4-8a, Moddergat. T/m 31 okt.

Expositie Hélène Min, Lydia Oerlemans en Jeanne Rombouts op de Helling X, atelier/expositieruimte op het NDSM-terrein, T.T. Neveritaweg, Amsterdam. Opening 5 juni 18u, verder 4, 5, 6 juni 2 en 11, 12, 13 juni, 16-21u. Tijdens het Holland Festival vaart er een pont vanaf Amsterdam CS.

http://www.hellingx.nl

`Ik werk het liefst

als het ijskoud is'