Domweg gelukkig tussen het gebulder

De meeste mensen die plezier hebben in het lezen van zeshonderd pagina's over admiraal Nelson zullen zich makkelijker de levenswijs en stemmingen kunnen voorstellen van zijn vader, een vreedzame dorpsdominee, en van zijn trouwe ontgoochelde vrouw Fanny, dan die van de zeeheld zelf. Wie al iets van hem afwist, zal hem toch opnieuw een verbluffende man vinden. Zijn strategische inzichten en zijn vechtlust zijn nogal eens geëvenaard in de geschiedenis, bijvoorbeeld door zijn tijdgenoot Napoleon. Dat geldt minder voor het samengaan daarvan met zijn vermogen om de vriendschap te winnen van zijn personeel, dat wil zeggen de bemanningen van zijn schepen; niet alleen namen ze welgemoed deel aan eindeloze vervelende omzwervingen over de Middellandse Zee en de oceaan. Er waren veel manschappen die het bepaald een voorrecht vonden om met hem op de kanonskogels van de vijand af te gaan.

Bij sentimentele lezers is hij vooral bekend als de onbedaarlijke minnaar van Emma Hamilton, de vrouw van de Britse ambassadeur aan het hof van Napels. In die rol was hij niet prijzenswaardig als wij letten op hoe hij de arme Fanny afscheepte. Wel is het mooi om te zien hoe hij erin slaagde niet alleen in Napels, ook op een lange reis door Europa en daarna in Engeland een ménage à trois met de afgewezen echtgenoot te laten aanvaarden.

De pijlers waar zijn aanzien bij het nageslacht op rust zijn de vier grote overwinningen waarvan Trafalgar de laatste en de belangrijkste was. Eerst kwam in 1797 de slag bij Kaap St Vincent waar de Spanjaarden verslagen werden nadat Nelson, toen nog niet als opperbevelhebber, hun de beslissende klap had toegebracht door op twee van hun schepen over te springen in de klassieke zeeroversstijl. Het volgende jaar kwam zijn aanslag op de Franse vloot in de baai van Aboekir bij Alexandrië, vanwaar Napoleon waarschijnlijk hoopte met een leger naar India door te steken; daarbij ging geen enkel Engels schip verloren, terwijl de Fransen er maar twee van hun dertien overhielden. In 1801 werd de Deense vloot bij Kopenhagen kapotgeschoten als straf voor de Deense weigering, samen met Rusland en Zweden, om de Britse blokkade van het continent te accepteren. Dit werd de minst populaire van Nelsons grote klappen, omdat de Denen geen echte vijanden waren en even later ook de Russen van standpunt veranderden.

Er gingen toen nog vier jaar voorbij voordat de Franse vloot weer in het schootsveld kwam, bij Kaap Trafalgar ten westen van Cádiz. Het grootste deel van 1805 was besteed aan zoeken naar de Fransen die misschien weer naar het oosten gevaren waren, of zich teruggetrokken hadden in Toulon, of in West-Indië de Britse vestigingen waren gaan overvallen. Nelson was de Atlantische Oceaan overgestoken en had vastgesteld dat de admiraal de Villeneuve dat inderdaad ook gedaan had, en alweer teruggekeerd was naar Europa. Een van de aantrekkelijkheden van Edgar Vincents biografie Nelson zijn de kaarten waarop de zeeslagen uitgetekend staan en ook de twee reisroutes van 1801: Villeneuve gestippeld, Nelson in een doorlopende streep.

Het werd pas precies vaststelbaar waar de Villeneuves vloot zich bevond toen hij zich teruggetrokken had in de haven van Cádiz, zonder dat duidelijk was wanneer hij weer zou uitvaren. Van 28 september af dreef de Britse vloot er in de buurt rond. Nelson had zijn plan klaar voor de aanval als het eindelijk zover zou komen. Intussen schreef hij brieven aan Emma die in Merton ten zuiden van Londen woonde, naar hem verlangde en veel te veel geld uitgaf dat alleen afbetaald zou kunnen worden als hij met een overwinning grote prijzengelden binnen haalde.

Op 19 oktober was het zover; de Franse schepen kwamen een voor een naar buiten. Op de 20ste waren ze er allemaal, en de volgende dag is de slag geleverd waarin de Fransen zulke verliezen leden dat zij de Britse overmacht ter zee niet meer konden bedreigen.

Een grote triomf; alleen was Nelson toen dood. Hij was getroffen door de kogel van een scherpschutter in de mast van een Frans schip, en naar zijn hut gebracht. Daar heeft hij nog iets meer dan drie uur geleefd, en verscheidene gedenkwaardige uitspraken gedaan zoals `I wish I had not left the deck for I shall soon be gone'. Hij wist precies waar de kogel hem getroffen had in zijn rug, en dat hij aan het uitdoven was. `Kiss me Hardy' waren zijn beroemde bijna laatste woorden, tot lichte verwondering van kapitein Hardy die alleen een trouwe medewerker was, niet een van zijn beste vrienden, en die hem netjes op zijn voorhoofd kuste. `Thank you, Hardy.' Nelson leefde net lang genoeg om te weten dat ook deze slag gewonnen was.

Het is moeilijk voorstelbaar dat iemand over de laatste uren onbewogen zou lezen. Die kleine kerel – ten minste, hij was maar 1 meter 65 – die een oog was kwijtgeraakt in dienst van het land, en de helft van zijn rechterarm, en veel van zijn gezondheid zodat hij wist dat hij niet lang meer voor zich had op zijn zevenenveertigste, en die nog altijd dol was op zijn werk – daar zien wij hem aan zijn eind komen, welbewust en overtuigd dat hij gedaan had wat zijn levenstaak was.

Er is een dialoog overgeleverd van Nelson met een jonge officier die naast hem stond op het dek bij de beschieting van de Deense vloot toen een kanonskogel de mast vlak bij hen trof zodat de stukken om hen heen vlogen. Ja, dit is warm werk, glimlachte de admiraal: het kan voor ieder van ons de laatste dag zijn, `but mark you, I would not be elsewhere for thousands'.

Een wonderlijke voorkeur. Zou het leven echt niet aangenamer geweest zijn als dorpsdominee? Edgar Vincents biografie, de zoveelste in de tweehonderd jaar sinds Trafalgar, is niet helemaal voorbeeldig in overzichtelijkheid en oog voor sprekende details. Wel is hij zo goed als de beste over de verschrikkingen van zeeslagen: zware kogels van dichtbij afgevuurd die de opbouw van de schepen vernielden, benen en armen verbrijzelden van mannen die dan bloedend en schreeuwend op het dek lagen te sterven, in stank en verstikkende rook en donderend lawaai. Een bar leven, ook als er niet gevochten werd en alleen maar stug doorgezeild over de onafzienbare zee, vaak in ruw, koud, nat weer.

Nelson vond het geweldig. Op zijn veertiende was hij van huis weggelopen om dienst te nemen; het heeft hem nooit berouwd, en nu staat hij op zijn vijftig meter hoge zuil in Trafalgar Square, de minst omstreden grote figuur van de Engelse geschiedenis. Wie een tijdje over hem zit te lezen komt in een stemming van niet precies bewondering – meer toewijding, net zoiets als zijn bemanningen voor hem voelden.

Edgar Vincent: Nelson. Love and Fame. Yale University Press, 640 blz. €35,77 (geb.), €26,55 (pbk.)