Democratisch gat

De wet openbaarheid van bestuur (WOB) staat volgens een lange reeks uitspraken van de Raad van State ten dienste van ,,een goede en democratische bestuursvoering''. Toch wijst de afdeling Bestuursrechtspraak van dit hoge college nu een verzoek om toegang tot een deel van het dossier van de vorige kabinetsformatie af. Het gaat om de doorberekeningen ten behoeve van de mislukte informatie tussen CDA en PvdA. Het verzoek was ingediend door de vorige chef van de Haagse redactie van deze krant. In 1986 lukte het deze krant wél om via de Raad van State, ondanks verzet van premier Lubbers, documenten uit kabinetsformaties (waaronder doorberekeningen) los te krijgen bij het ministerie van Algemene Zaken.

Zet de Raad van State de klok nu terug? Er is veeleer sprake van de wraak van Lubbers, zo blijkt uit een beschouwing van A.W. Hins in het juridisch vakblad Mediaforum over deze kwestie. Het was Lubbers niet ontgaan dat Algemene Zaken de formatiedocumenten had moeten openleggen omdat deze fysiek op het ministerie aanwezig waren. De premier waarschuwde vervolgens toekomstige kabinets(in)formateurs om terughoudend te zijn met het opnemen van stukken in het officiële, en dus openbare, (in)formatiedossier. Dit zou slechts het hoognodige moeten bevatten, om de minister van Algemene Zaken in staat te stellen na afloop van de formatie politiek verantwoording af te leggen in de Tweede Kamer.

Dit advies was niet aan dovemansoren gericht. Informateur Donner noemde, na zijn mislukte poging met CDA en PvdA, ,,geheimhouding de essentie van het informatieproces''. Dat is dezelfde Haagse insider die als minister van Justitie deze week de media kapittelde omdat zij te weinig oog zouden hebben voor ,,de echtheid van de beschreven werkelijkheid''. Dat moet dan wel kúnnen. Donner en zijn PvdA-colllega-informateur Leijnse hebben hun informatiedossier duchtig geschoond. Dat mag, zegt de Raad van State: het is aan de informateur om te bepalen welke documenten hij overhandigt aan een aantredende minister-president en dus in het bereik van de openbaarheid brengt.

Deze redenering bevredigt niet, al was het maar omdat toch moeilijk doorslaggevend kan worden geacht wat informateurs gepast vinden. Het gaat er om wat een premier nodig heeft in het parlement. Daarmee valt moeilijk te rijmen dat de premier geen stukken bij de informateurs kan opeisen, zoals de Raad lijkt te betogen. Is het trouwens niet vreemd dat stukken die door een overheidsinstelling als het CPB zijn verstrekt voor een staatsrechtelijk gewichtig proces als een informatie, door de informateurs als hun persoonlijk bezit worden meegenomen? ,,Toekomstige historici zullen zich over deze werkwijze nog gaan verbijten'', zegt Hins met reden.

Informateurs zijn nu eenmaal geen bestuursorgaan in de zin der wet, aldus de Raad van State, die dat in 1986 ook al vaststelde. Hoe verhoudt zich dat echter met de democratische dimensie van de WOB? Gelukt of niet, een informatie is een wezenlijke schakel in een kernproces van de democratie: het vertalen van een verkiezingsuitslag in een kabinet, het hoofd van het landsbestuur. De uitspraak van de Raad doet alsof dit een juridisch gat is. In zijn jongste jaarverslag waarschuwt het hoge college zèlf tegen het gevaar van ,,incidentalisme en personalisering van de macht'' in het staatsrechtelijk bedrijf wanneer het recht wegvalt. Dat geldt ook voor het recht op informatie. Zo bezien levert de uitspraak een grotere vraag op dan het oorspronkelijk verzoek inhield.