De vuurzee op papier

De Duitse schrijver W.G. Sebald leed niet aan oorlogstrauma`s. Hij werd geboren in het laatste oorlogsjaar 1944 in Wertach im Allgäu in Zuid-Duitsland en zijn jeugd speelde zich tamelijk onbekommerd af tussen de alpenweiden. In zijn autobiografische terugblik `Il ritorno in patria' opgenomen in Schwindel, Gefühle beschrijft hij dat hij als kind in de bioscoop wel naar de Wochenschau keek en dat hij daar de ruïnes van steden als Hamburg of Berlijn zag, maar dat hij dat als iets normaals opvatte: zo zagen steden er nu eenmaal uit. Ik hield het, zo schreef hij, `für eine sozusagen natürliche Gegebenheit aller größere Städte'.

Sebald emigreerde in 1966 naar Engeland en vestigde zich in Norwich, waar hij docent literatuurwetenschap werd. Vanaf eind jaren tachtig begon hij te publiceren, het succes kwam snel: in Duitsland, in Engeland en Amerika en ook in Nederland. Hij schreef hallucinerende verhalen over bijna vergeten levens, plaatsen en gebeurtenissen. In de Ausgewanderten en in Austerlitz reconstrueerde hij – hoewel het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid moeilijk te maken is – de levens van mensen die hij heeft gekend, bijna heeft gekend of graag had willen kennen, allen verdwaalden in de wereld. In die mengeling van observaties, reizen, herinneringen en essayistische uitstapjes ging het Sebald om het bijna vergetene, het onaanzienlijke, en om wat hij, als laatste, nog kon redden van het Grote Verdwijnen. Hij deed dat aan de hand van een toevallig gelezen krantenadvertentie, een gekreukte foto, een verbleekt winkelopschrift en in een stijl die getuigt van een hypersensitief waarnemingsvermogen.

Sebald, die in 2001 bij een auto-ongeluk is omgekomen, heeft ook twee bundels essays nagelaten over Duitstalige, meest Oostenrijkse en Zwitserse schrijvers met wie hij de vervreemde levenshouding, de precieze taal en misschien ook wel het aan waanzin grenzende observatievermogen deelde. Ook zij waren Aussenseiter. Het nu in het Nederlands vertaalde Luftkrieg und Literatur uit 1999 is een eenmalig genre binnen zijn oeuvre. Het is gebaseerd op een reeks colleges die hij in 1997 in Zürich gegeven heeft. Het thema was de neerslag van de oorlog op zijn eigen werk, maar in de boekversie werkte hij dat om tot de vraag waarom in de Duitse literatuur deze jaren durende vernietiging, deze volledige verplettering zo weinig sporen heeft nagelaten. Na de neerslag van die colleges volgt in Luftkrieg und Literatur nog een hoofdstuk over de reacties die hij daarop ontving en die uiteenliepen van hartverscheurend tot regelrecht kwaadaardig.

Eigenlijk gaat het boek niet eens helemaal over literatuur. Sebald vat het zwijgen over de 400.000 bombardementsvluchten, de één miljoen ton bommen en over de 600.000 omgekomen burgers veel ruimer op. In heel Duitsland zou er om te beginnen al in de huiselijke kring over zijn gezwegen. De algemene houding was: wegkijken, zwijgen. Uit schaamte, uit schuldgevoel en om geen tijd te verdoen. Men moest immers de handen uit de mouwen steken, naar de toekomst kijken, een nieuwe maatschappij opbouwen. De Duitsers verdrongen hun bombardementsverleden. Wat individuele ooggetuigen er op papier over noteerden, bestaat, aldus Sebald, uit clichés. Keer op keer leest men dat de hemel in lichterlaaie stond, dat die nacht noodlottig was en de hel losbarstte. Wat de Duitse geschiedschrijvers betreft signaleert Sebald slechts één militair-historische studie van Jörg Friedrich, die na Sebalds dood twee publieksboeken over de bombardementen schreef.

Maar het gaat Sebald niet om de vaak gebrekkige observaties van ooggetuigen of om het werk van historici. Hij vraagt zich af waarom vrijwel geen Duitse literaire schrijver zich aan dit onderwerp heeft gewaagd. De auteurs die nazi-Duitsland waren ontvlucht hebben de bombardementen natuurlijk niet meegemaakt. Het probleem moet dus worden gezocht bij de schrijvers die zijn gebleven. Zij hebben er niet over geschreven, aldus Sebald, omdat ze het te druk hadden met iets anders: met het herdefiniëren van hun eigen positie. Een aantal naoorlogse romanschrijvers heeft een poging gedaan, maar wordt door Sebald genadeloos neergesabeld. Eén schrijver wiens gedrag hij karakteristiek acht voor de schrijvers die niet geëmigreerd waren, fileert hij daarbij volledig: Alfred Andersch. Sebald zet hem neer als een ijdele opportunist. Enige waardering kan hij opbrengen voor de vergeten Hans Erich Nossack.

Als er één Duitser is geweest die de verschrikkingen empathisch, gedocumenteerd en onvergetelijk had kunnen beschrijven, maar dan wel een halve eeuw na de catastrofe, dan was het wel W.G. Sebald zelf. In Luftkrieg und Literatur – de tekst omschrijft hij als `schetsmatig' – geeft hij een aantal aanzetten daartoe. Er staan filmische bladzijden in over de branden zelf, over de manieren waarop burgers sterven in een vuurzee, over het grote vluchten, over de rol van vliegen en ratten in een dode stad, over de snelheid van het zo wonderlijk snel weer opschietende onkruid tussen de ruïnes en over het absurd alledaagse tijdens en vlak na de apocalyptische bombardementen. In dit amalgaam van historische analyse, beschrijving, essayistiek en literaire beschrijving laat Sebald zien wat hem voor ogen moet hebben gestaan. Het zijn bladzijden die je naar adem doen happen. Alsof de vuurstorm nog eens op papier kan worden beleefd.

W.G. Sebald: De natuurlijke historie van de verwoesting. Uit het Duits vertaald door Ria van Hengel. De Bezige Bij, 160 blz. €21,50