De moeizame taak in Europa welvaart te brengen

`Is de Europese Unie een ramp voor de wetenschap? Ja.' Vraag en antwoord zijn van Ad Lagendijk in zijn column in de Volkskrant van 1 mei. De vraag figureert in een rijtje onderwerpen dat Lagendijk het tv-programma Nieuwslicht ter behandeling voorlegt. De column is speels, zoals doorgaans, maar het antwoord op de zelfgestelde vraag kan maar beter serieus worden genomen. Hier is iemand aan het woord die weet waarover hij schrijft. De Unie heeft zichzelf in Lissabon beloofd de beste te worden op innovatief gebied. Dat brengt een soortgelijke belofte in herinnering die de Sovjet-Unie zichzelf eens deed. Wij weten hoe dat is afgelopen.

Op diezelfde 1 mei werd de jongste uitbreiding van de Unie een feit. Het probleem waarmee de EU-25 te maken krijgt, is kort en helder samengevat door de Frankfurter Allgemeine Zeitung. De Unie wint 23 procent aan grondgebied en 20 procent aan bevolking, maar voegt met de uitbreiding aan haar economisch vermogen slechts 5 procent toe. Sinds het ontstaan van de Unie, voorheen de Gemeenschap, is de interne markt, die door het wegvallen van de landsgrenzen ontstond, beschouwd als het trekpaard van de Europese economie. Toenemende concurrentie en grootschaligheid zouden de productiviteit en daardoor de algemene welvaart in de aangesloten landen doen stijgen. Hoe omvangrijker de markt, hoe groter de welvaart.

Naast de impuls van solidariteit met volken die tientallen jaren lang onder dictaturen van allerlei slag te lijden hadden gehad, is dit marktdenken de drijfveer geweest achter de opeenvolgende uitbreidingen, vanuit de zes kernlanden gezien binnen steeds meer Europa omsluitende cirkels. Daar is nu dus Oost-Europa, zo men wil Midden- en een deel van Oost-Europa, bijgekomen, plus twee mediterrane eilandstaten. Wie zich realiseert dat Europa's geografische middelpunt in West-Oekraïne ligt, beseft dat de Unie nog een heel eind te gaan heeft om haar naam recht te doen.

Het is gebruik geworden om het proces van Europese eenwording met veel hoofdschudden en opgetrokken wenkbrauwen te begeleiden. Was de integratie aanvankelijk het arbeidsterrein van een bevlogen politieke elite waarvan de rug voor het achterblijvende voetvolk soms uit het zicht verdween, in de loop der jaren is zij meer en meer een zaak geworden van regels, van bureaucraten.

Regels raken mensen, vaak meer dan ideeën. Door de toeneming van het aantal maatschappelijke sectoren waarmee de EU zich bezig is gaan houden, is ook een toenemend aantal personen rechtstreeks met `Brussel' in contact gekomen. Het gevolg was ook dat steeds meer nationale politiek Europees werd en steeds meer Europese regelgeving als binnenlands beleid werd ervaren. Maar de burger had, door het ontbreken van Europees georganiseerde politieke partijen, het nakijken en dat leidde tot vervreemding.

De Europese burger, of beter de burger in de kernlanden van de EU, was sinds de Tweede Wereldoorlog gewend geraakt aan een groeiende welvaart die voortkwam uit een combinatie van economische groei en verdelende rechtvaardigheid, ook wel het Rijnlandse model genoemd, een naam overigens die de beperking van het model meteen duidelijk maakt. De markt moest het hebben van koopkracht. De sociale zorg had niet alleen een humanitair doel (liever geen zichtbare armoe meer), maar stimuleerde tegelijkertijd de koopkracht en dus de markt.

In de Bondsrepubliek sprak men niet ten onrechte van `soziale Marktwirtschaft'. Sociale en economische politiek waren onafscheidelijk geworden. In Nederland werd er zelfs een aparte raad voor opgericht, de SER. Koopkrachtplaatjes waren hier niet alleen van belang uit het oogpunt van de verdelende rechtvaardigheid, maar ook als ijkpunt voor de gewenste economische groei.

Inmiddels botst dit model op zijn grenzen, juist op het moment dat het arme Europa zich bij het rijke voegt. Natuurlijk is er met de uitbreiding weer sprake van nieuwe kansen, van grootscheepse investeringen in de nieuwe lidstaten, van marktwerking, van economische groei en stijgende welvaart. Maar dergelijke investeringen zuigen werkgelegenheid weg uit het `oude' Europa. Angst bestaat ook voor de massa migranten die op de arbeidsmarkt van dat oude Europa worden verwacht. Er zijn maatregelen genomen die haaks staan op het Europese geloof in de stuwkracht van het vrije verkeer. De paradox is dat hoe meer banen in oostelijke richting worden geëxporteerd hoe minder mensen in westelijke richting zullen trekken. Anders gezegd, de migratie van banen dreigt omgekeerd evenredig te zullen zijn aan de migratie van werknemers. Beleidsmakers zouden hierbij stil moeten staan.

Zijn er voorbeelden uit het verleden die ons iets kunnen leren? Doorgaans wordt verwezen naar Spanje en Ierland, landen die als successen van de Europese integratie worden beschouwd. De impulsen van markt en steungelden hebben hier een autonoom groeiproces op gang gebracht. Maar daar staat het gebied van de voormalige DDR tegenover, een staat die eens de economische tegenhanger in het Oostblok van de Bondsrepubliek heette te zijn. Nu, bijna vijftien jaar na de val van de Muur, is, ondanks een continue overheveling van steungelden van West naar Oost – in totaal 1250 miljard euro, de Prijs der Eenheid – geen zicht op wat een zelfstandige economische ontwikkeling zou kunnen worden genoemd. De jeugd trekt weg, de ouderen blijven. De regering in Berlijn heeft geen oplossing voor het vraagstuk.

De EU worstelt met haar institutionele problemen. Komt er een compromis over het grondwetsverdrag, zal dat compromis de verschillende te verwachten referenda overleven, wordt men het eens over de machtsverdeling tussen de groten en de kleinen, tussen `oud' en `nieuw' Europa? Onzekerheden genoeg. Maar aan de top van de agenda zou toch de economische malaise moeten staan die resulteert in massale werkloosheid, ook het vooruitzicht dat vergrijzing en ontgroening het Rijnlandse model uit zijn voegen zullen lichten.

Juist die vraagstukken bieden een kans de burger dichter bij de EU te brengen, omdat zij hem of haar direct in het eigen leven raken. De EU brengt het tot dusver niet verder dan motor van bezuinigingen te zijn. Op die manier kan de burger niet voor het Europese experiment worden gewonnen.

In Lissabon beloofden Europa's leiders elkaar een mooie toekomst. Nu de inlossing nog.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.