De eerste was meteen de beste

Geen conflict is zo lang onderzocht als de Peloponnesische oorlog. Het wonder is dat Athene ondanks voortdurende strijd toch een democratie in leven wist te houden.

De Peloponnesische oorlog, die duurde van 432 tot 404, geldt meer dan enig ander militair conflict als een model voor oorlogvoering. Bij geen andere oorlog hebben latere historici, strategen en beleidsmakers zo ijverig gezocht naar wijze lessen over de verhouding tussen diplomatie en militaire macht, de vooroordelen en risico's van aanvalsoorlogen, en de gevolgen die die voor de burgers kunnen hebben. De strijd was een conflict tussen het `Peloponnesische bondgenootschap' en de `Attisch-Delische Zeebond', of correcter uitgedrukt tussen Sparta en Athene, de twee voornaamste Griekse steden van hun tijd, en hun respectieve bondgenoten. De directe aanleiding ervan was een tamelijk pietluttig conflict over enkele Atheense vazalstaten; maar daaronder lagen een diep wederzijds wantrouwen en een permanente rivaliteit om macht en invloedssferen, die op termijn haast onvermijdelijk op oorlog moesten uitlopen.

De eerste tien jaar werd het Atheense kamp vooral geleid door Pericles, die een behoedzame en terughoudende tactiek voorstond. Volgens hem moest Athene zich niet laten verleiden tot open veldslagen tegen het grotere en machtigere Peloponnesische landleger, maar vertrouwen op haar superieure vloot. Na zijn dood in 429 werd onder generaals als Cleon en Brasidas een agressiever beleid gevolgd, naar het even leek met succes. In 421 kwam een wankele vrede tot stand, die tot 414 aanhield. Deze tijd zag de opkomst van de briljante en welbespraakte maar wispelturige Alcibiades, een leerling van Socrates, die later overliep naar Sparta. Na een rampzalig verlopen expeditie tegen Sicilië in 415 leek Athene's val onafwendbaar. De stad werd bovendien verzwakt door een interne machtsstrijd, waarin zelfs de democratie tijdelijk werd vervangen door een dictatuur. Toch duurde het tot 404 voor Athene, na het verliezen van de slag bij Aigospotamoi, op de knieën werd gedwongen. De Atheners kregen een vernederende vrede opgelegd door Sparta, dat ook een oligarchisch marionettenregime in de stad vestigde, de beruchte `dertig tirannen'.

Wreedheid

Deze oorlog is vooral ook tot een model geworden dankzij het boek dat erover is geschreven door Thucydides, de allereerste historicus die krijgsgeschiedenis beschrijft in termen van menselijke plannen en strategieën, en van zoiets als `wetten van de politiek'. Hij had een aristocratische, zo niet conservatieve visie en stond kritisch tegenover de Atheense democratie; in zijn optiek was deze oorlog van een nog niet eerder vertoonde schaal en wreedheid, en leidde ze tot een nieuw en ongekend verval van zeden. Zijn studie is verreweg de beste bron voor het conflict, en latere militaire geschiedewerken over dit onderwerp kunnen, onbeleefd gezegd, nauwelijks meer zijn dan een reeks voetnoten bij Thucydides.

Dat geldt ook voor Donald Kagans onlangs in het Nederlands vertaalde The Peloponnesian War. Kagan is een erkende autoriteit op zijn gebied; hij is niet alleen de auteur van een vierdelige serie over de Peloponnesische oorlog waarvan dit boek een soort Reader's Digest-versie vormt, maar ook van onder meer een biografie van Pericles en een vergelijkende studie over de vraag hoe en waarom oorlogen uitbreken. Hij heeft met goede redenen weerstand geboden aan de verleiding om al te gemakkelijke parallellen met het heden te trekken, en bijvoorbeeld de strijd tussen Athene en Sparta in Koude-Oorlogstermen te presenteren als een conflict tussen democratie en dictatuur, of de Siciliaanse expeditie af te schilderen als een Atheens Vietnam. Zulke vergelijkingen doen recht aan heden noch verleden.

Kagan volgt getrouw Thucydides' deprimerende opeenvolging van veldslagen, plunderingen, wreedheden en mislukte onderhandelingen, en verliest weinig tijd aan de bredere culturele achtergronden en gevolgen van de oorlog. Zijn boek biedt een verhalende geschiedenis die nooit ver afdwaalt van Thucydides' imposante maar sterk gestileerde weergave. Ook deelt hij het merendeel van diens oordelen en interpretaties, zoals lof voor de aristocratische Pericles en blaam voor de meer demagogische nouveau riche Cleon. Slechts hier en daar corrigeert hij Thucydides' soms eenzijdige en in elk geval onvolledige verhaal. Zo bestrijdt hij diens vergoelijking van Nikias, de Atheense generaal die voor de Siciliaanse catastrofe verantwoordelijk was.

Deze solide beperking tot wat we, op basis van de beste bron, over de oorlog kunnen weten is de kracht van Kagans boek, maar tegelijk is het een zwakte. De Peloponnesische oorlog presenteert geen verrassende nieuwe inzichten of analyses, en legt geen verband met recentere inzichten uit bijvoorbeeld de sociale en economische geschiedenis of de archeologie. Evenmin koppelt het de militaire en politieke ontwikkelingen aan kunst, literatuur of filosofie. En dat terwijl deze oorlog de achtergrond was van onder meer de latere tragedies van Sofocles en Euripides, de komedies van Aristofanes, en de terdoodveroordeling van Alcibiades' leermeester Socrates.

Kagan schildert de oorlog af als een keerpunt in de Griekse geschiedenis, maar het slot van zijn boek suggereert juist dat er maar bar weinig door is veranderd. De Atheners herstelden hun democratie al spoedig, en niet veel later ook hun welvaart en zelfs hun imperium. De Spartanen daarentegen slaagden er niet in een duurzame overheersing van de andere steden te vestigen. Ook zij waren verzwakt, en raakten al spoedig in weer andere oorlogen verstrikt. Aan het ruzierijke voortbestaan van de talrijke onafhankelijke Griekse stadstaten zou pas decennia later een einde komen, met de opkomst van de Macedonische koning Philippus en zijn zoon, de latere Alexander de Grote.

Optimisme

Elders concludeert Kagan wat voorzichtiger dat de Peloponnesische oorlog een einde maakte aan de voorspoed en het optimisme dat de Grieken had gekenmerkt sinds ze de Perzen hadden verslagen. Maar ook deze conclusie lijkt minder ingegeven door de ervaring van de oude Grieken dan door een wijdverbreide visie op de Eerste Wereldoorlog, die een definitief einde zou hebben gemaakt aan het Europa van het fin de siècle. Ook zijn visie dat de oorlog de teloorgang zou kenmerken van de Griekse `traditionele waarden', zoals de banden van religie en familie, lijkt meer ingegeven door hedendaagse conservatieve zorgen dan door historische feiten. Kagan vermeldt niet dat, met name in Athene, gedurende de hele vijfde eeuw al zulke wezenlijke instituten als democratie, burgerrechten, familie, religie en wet onophoudelijk het onderwerp van debat en zelfs gewapende conflict waren geweest; de klassieke tragedies zijn de duidelijkste weerspiegeling van deze culture wars.

Wat verklaard moet worden is misschien minder het uitbreken of het karakter van deze specifieke oorlog dan het feit dat de Griekse stadstaten zich tegen de Perzen konden verenigen, en daarna enkele decennia een relatief vreedzaam bestaan hebben geleid. Gewapend conflict tussen, en al te vaak ook binnen, steden was een permanente dreiging en voor de Grieken een vanzelfsprekend gegeven. Het wonder van het klassieke Griekenland, en met name van Athene, is veeleer hoe zich te midden van zulke steeds terugkerende conflicten en de voortdurende behoefte aan sterke militaire leiders toch een democratie heeft kunnen vormen, en hoe het zelfs een bron geworden is van culturele monumenten die 2500 jaar later nog niets van hun zeggingskracht hebben verloren. Misschien is het verhaal hoe democratie kan overleven te midden van conflict en machtsmisbruik uiteindelijk het belangrijkste wat we vandaag van de Peloponnesische oorlog kunnen leren. Maar helaas is dit niet of nauwelijks het verhaal dat Kagan ons vertelt.

Donald Kagan: De Peloponnesische oorlog. Balans, 541 blz. €27,50