De echo van Abu Ghraib

De beelden gingen de wereld rond en maakten Amerika te schande. Het verhaal erachter is minstens zo schokkend. De gevolgen van de mishandeling van Iraakse gevangenen door Amerikaanse militairen zijn nog niet te overzien, maar vast staat wel dat de martelkwestie een nieuw dieptepunt is in een oorlog die naast een militaire overwinning gekenmerkt wordt door een opeenstapeling van missers: misleiding over de motieven, miscalculaties over de wederopbouw en mismanagement van wanpraktijken zoals die in de Abu Ghraib-gevangenis konden gebeuren. De zaak was bij de Amerikaanse regering al langer bekend en is nu eindelijk doorgedrongen tot het hoogste politieke niveau. President George W. Bush betuigde gisteren zijn spijt voor de vernedering van de gevangenen tegenover koning Abdullah van Jordanië, die in Washington op bezoek was. Bush maakte tegelijk duidelijk dat hij zijn minister van Defensie blijft steunen, de hardliner Donald Rumsfeld, die nu onder vuur ligt.

Het Witte Huis wekt ook met Bush' laatste uitlatingen niet de indruk dat het deze splijtende kwestie naar waarde weet te schatten. De president bagatelliseerde andermaal de mishandelingen door er op te wijzen dat het om de daden van slechts enkelen gaat. Het moge zo zijn, maar dat maakt de folterpraktijken in Abu Ghraib, nota bene een gevangenis waar Saddam zijn tegenstanders liet martelen en executeren, niet minder erg. Bovendien moet onafhankelijk onderzoek nog maar aantonen of het hier incidenten betreft. Een verslag in The New Yorker van onderzoeksjournalist Seymour M. Hersh (die ooit de moordpartij door Amerikaanse soldaten in het Vietnamese My Lai aan het licht bracht) wijst eerder op het tegendeel. Hersh heeft aanwijzingen dat al sinds de oorlog in Afghanistan de militaire politie in samenwerking met inlichtingendiensten gevangenen systematisch mishandelt om ze aan het praten te krijgen. Of, zoals het eufemistisch heet in een door hem aangehaald rapport: `gunstige voorwaarden scheppen voor latere ondervragingen'.

Artikel 13 van deel II van de Geneefse Rode-Kruisverdragen luidt: ,,De krijgsgevangenen moeten steeds menselijk worden behandeld''. De politieke echo van het schenden hiervan weerklinkt niet alleen in Washington maar in de hele wereld. Bush' optreden voor Arabische nieuwszenders beperkt de schade misschien, maar zal het slinken van de goodwill jegens de Amerikanen in Irak niet stoppen. Ook de coalitietroepen die aan de wederopbouw van het land werken kunnen te maken krijgen met vergeldingsacties voor de ultieme vernederingen op de foto's. De politieke verantwoordelijkheid ligt uiteraard bij Bush en zijn minister van Defensie Rumsfeld. Die laatste heeft een min of meer publieke reprimande van zijn baas gekregen en zal nu met tekst en uitleg moeten komen. Vandaag al getuigt Rumsfeld voor de commissies van Senaat en Huis van Afgevaardigden die het martelen van de gevangenen onderzoeken. Zijn positie is bij voorbaat zwak. Een minister die van zulke feiten op de hoogte is, niet ingrijpt, maar ze daarentegen aan zijn laars lapt, verspeelt zijn geloofwaardigheid. Hoe Bush hiermee omgaat, raakt ook de partners van de VS in Irak, waaronder Nederland. Zij kunnen dit politiek niet negeren.