De camera laat geen bloedspetter ongezien

Als de Derde Wereldoorlog is begonnen, zoals sommigen beweren, dan lijkt het jaarboek World Press Photo 2004 daar het eerste overzicht van te zijn. Het aantal natuurrampen, hoe omvangrijk ook, zoals de aardbeving in het Iraanse Bam op 26 december, met tienduizenden doden, valt op basis van deze fotoselectie kwantitatief in het niet bij de oorlogsellende die mensen elkaar vorig jaar wereldwijd hebben aangedaan.

Het gruwelijkste beeld in dit boek – dan zijn we daar meteen van af – laat het summum van moordlust zien: een man in een drukke winkelstraat in het Liberiaanse hoofdstad Monrovia houdt het afgehakte hoofd van een tegenstander aan diens oren omhoog, zoals een Wimbledon-winnaar zijn beker. Het hoofd lacht de lach van een wijze boeddhist, alsof de dood sowieso te verkiezen was. En de vermoedelijke dader kan met zijn trofee zijn geluk niet op.

World Press Photo, dat in 2005 een halve eeuw bestaat, moest kiezen uit een oogst van ruim 63.000 foto`s van 4.176 fotografen uit 124 landen. Hoezeer de oorlog voortwoekert onthult het voorwoord van de Duitse Elisabeth Biondi die de veertienkoppge internationale jury voorzat. In elke alinea laat ze het thema `oorlog' vallen, terwijl categorieën als sport, kunst en portretten onvermeld blijven. Veel wreedheid was `uitstekend' in beeld gebracht, zo complimenteert Biondi de inzenders. Toch `kan oorlog ook mededogen wekken in mensen voor wie de wereld door diezelfde oorlog is ingestort', voegt ze er troostend aan toe. Van dat mededogen ontbreekt elk visueel spoor.

Al zo lang moe van het `beeldbeuken' waarin de nieuwsmedia wedijveren, zoek je in deze World Press Photo-editie graag naar reportages over de verborgen onderstroom van het leven. Jan Banning legde bijvoorbeeld in een serie die in opdracht van het magazine van deze krant is gemaakt, in de Indiase staat Bihar vast hoe ambtenaren in troosteloze vertrekken zitten ingemetseld tussen stapels dossiers die ze in één leven nooit kunnen afhandelen. De Australiër Philip Blenkinsop bezocht het Hmong-volk in Laos, bondgenoten van Amerika in de Vietnam-oorlog, die nu – aan hun lot overgelaten – een rattig bestaan leiden tussen mijnenvelden in het oerwoud. En de Canadees Paul Nicklen speurde naar de zalm, die in Brits Columbia samen met een miljoen soortgenoten zit opgesloten in een bassin, drijvend in een oogstrelend meer. Zo'n kwekerij produceert het afval van een stad met 50.000 inwoners die haar rioolwater direct in zee loost.

Zoals gezegd, het `shock-gehalte' van de nieuwsfoto's en -reportages, uit Irak, Tsjetsjenië, Congo en Liberia is hoog. De supersonische digitale camera laat geen bloedspetter ongezien. En verder is er, behalve die heer op die ene kunstfoto die gezeten op een rode sofa tussen huizenhoge ijsschotsen drijft, ook in de `non-war'-categorieën geen mens waar te nemen die te benijden is: Van een van de Chinezen in de provincie Henan die bij de verkoop van eigen bloed besmet raakten met het HIV-virus, tot de achterlijke Pakistaanse polospeler die zijn paard zo uitputte dat het aan een hartaanval bezweek.

Van oorlogsverslaggevers wordt verwacht dat ze met alle risico's vandien jacht maken op strijd en op de gevolgen daarvan voor de burgerbevolking. Hun beelden zijn hoe dan ook `lelijk', onaangenaam en verontrustend. Maar de foto-oogst van vorig jaar suggereert dat deze hele planeet een frontlinie is geworden. Zelfs de marathon van Sydney komt dreigend in beeld.

World Press Photo 2004. Nederlandse editie. SDU, 150 blz. €17,50