Het nieuws van 7 mei 2004

Jaloers op Eminem

Op nummer 3 van de Top-40 staat deze week het nummer `My Band' van D12. D12, wie is dat, zullen sommige mensen denken. Als ze horen dat D12 de groep is waarmee Eminem soms optreedt, zeggen ze ,,Oh Eminem, díe ken ik!''

En dat is precies waar dit liedje over gaat. D12 is een rap-crew uit Detroit van vijf verschillende rappers. Die vijf vinden zichzelf goeie mc's, met grappige teksten. Maar omdat ze af en toe samenwerken met Eminem, blijven ze in zijn schaduw. Iedereen heeft het alleen maar over Eminem, of `Em' zoals ze hem toch liefkozend noemen.

In dit liedje doen de rappers er met zijn allen nog een schepje bovenop. Eminem gedraagt zich als een verwaande zanger die de leden van D12 als voetveeg gebruikt. De D12-mannen op hun beurt doen alsof ze vreselijk tekort worden gedaan: ze krijgen nooit fan-mail, geen meisje vraagt een handtekening, niemand wil ze interviewen. ,,Wij reizen in een auto/ hij heeft een mooie tourbus'', rappen ze.

Een van de leden, Bizarre, die ongeveer drie keer zo dik is als Eminem, denkt erover solo te gaan, rapt hij. Eerst maar eens afvallen: ,,50 told me to do situps to get buff/ I did two and a half and then I couldn't get up/ Fuck D12, I'm outta this band'' (,,50 Cent zei dat ik buikspieroefeningen moest doen om strak te worden/ Ik deed er tweeëneenhalf en toen kwam ik niet meer overeind/ Weg met D12, ik stap uit de band'').

Misschien is het wel waar. Misschien zijn de leden van D12 echt jaloers op Eminem. Dan is het grappig dat ze het zo overdrijven dat ze er allemaal om kunnen lachen.

Maar er is nog iets dat ze met `My Band' willen duidelijk maken. En wel dat rap geen rock is. Dat Eminem, Proof, Kuniva, Bizarre, Swift en Kon Artis – zoals ze heten – samen geen `band' zijn, maar een `rap crew'. Ze zijn eigenlijk boos op het publiek dat een paar mensen bij elkaar op het podium meteen een `band' noemt. Een band is Limp Bizkit of Coldplay. Die spelen gitaren en drums. Rap-crews niet. Die hebben alleen hun stemmen en een dj, en daar zijn ze trots op. Dus als Eminem het heeft over `my band', maakt hij iedereen belachelijk die het verschil niet weet.

,,These chicks don't even know the name of my band/ But they're all on me like they wanna hold hands'' (,,Die meiden kennen niet eens de naam van mijn band/ maar ze willen wel mijn hand vasthouden''), zingt Eminem in het refrein.

Voor alle meisjes: dit is een valstrik. Eminem wil niet dat je de naam van zijn band kent, maar van zijn crew.

Ongevraagd advies BK

Zowel gevraagde als ongevraagde adviezen behoren betrouwbaar te zijn tenzij zij worden ingefluisterd om te misleiden. Janneke Wesselings Ongevraagde advies beeldende kunst aan de staatssecretaris voor Cultuur (Cultureel Supplement, 16 april) bevat ten aanzien van het Fonds voor de beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst aantoonbare onjuistheden. Dat is jammer, want dat maakt het advies er niet steviger op. Zo zegt zij dat het rendementsdenken nu bepalend wordt voor het Fonds BKVB en dat een kunstenaar bij een projectsubsidie moet aangeven waar hij het aangevraagde geld voor wil gebruiken. Dit zou een rationalisering van het creatieve proces met zich meebrengen en een `verder verlies aan tijd en stilte en aandachtige toewijding waaraan in onze maatschappij toch al een grote schaarste is'.

Nog afgezien van de vraag of het Fonds BKVB er is om stilte te subsidiëren, gaat Wesselings observatie voorbij aan de aard en plaats van de projectsubsidie binnen de diverse subsidiemogelijkheden van het Fonds BKVB. De projectsubsidies zijn niet van vandaag of morgen maar bestaan al zo lang als het Fonds BKVB. Met de ingang van het huidige beleidsplan (2001!) hebben die projectsubsidies een centrale plaats gekregen in het subsidiestelsel van het Fonds BKVB, maar wel in samenhang met de basissubsidies. Deze laatste subsidiemogelijkheid stelt de kunstenaar in staat zijn werk in alle rust, los van de druk van de markt, voort te zetten. Daarnaast kunnen projectsubsidies door kunstenaars voor alle mogelijke doeleinden aangevraagd worden. Juist ook – en zo zal Janneke Wesseling het waarschijnlijk bedoeld hebben – voor onderzoek, reflectie en bezinning. Kortom, voor dat wat de oorsprong van een kunstwerk ten goede kan komen. Niet voor niets staat in de omschrijving van de projectsubsidie dat het voorgenomen project niet hoeft te leiden tot een concreet artistiek eindresultaat. Tegenover deze mogelijkheden staat wel dat de aanvrager moet aangeven hoe hij het aangevraagde subsidiebedrag wil aanwenden en welk doel hem daarbij voor ogen staat. Dat is geen rationalisering van het creatieve proces noch een hernieuwde introductie van de tandenborstelcontrole. Voor bedragen die (gemiddeld gesproken) de 10.000 euro gemakkelijk te boven gaan is een minimale verantwoording vooraf en achteraf toch niet onredelijk. De suggestie dat het hier om de zoveelste uiting van het hedendaagse rendementsdenken zou gaan, is mij dan ook te gemakkelijk. In zowel het huidige als het nieuwe beleidsplan houdt het Fonds BKVB vurige pleidooien voor de vrije ruimte van de kunstenaar omdat het maar al te goed beseft dat niet alle kunstwerken op bestelling of binnen kantoortijden gemaakt worden. Mijn ongevraagde advies aan Janneke Wesseling is dan ook die te lezen.

Beeldende kunst

Silver Award

De tentoonstelling Het Licht van Zilver, n.a.v. de 2de editie van de tweejaarlijkse ontwerpwedstrijd Schoonhoven Silver Award toont opmerkelijke kwaliteit van het werk. Tegenover de ragfijne bloemblaadjes met parelvormige dauwdruppels van Mari Ishikawa staan de solide kegelvorm van Risto Nylund en de kloeke, modernistische bliksemschicht van Cees Post. Sommige ontwerpers vulden het wedstrijdthema in met conventionele kandelaars, kroonluchters en lampenkappen. Anderen zochten het licht juist in het zilver zelf. Christian van Grinvens Lightning Woebel, een sculpturaal object van kunstig golvende en in elkaar gedraaide stroken, laat het invallende licht alle kanten opspatten. Maar er is ook plaats voor de schaduwzijde. Bruno Sievering-Tornow vernietigde met zuur zijn klassieke, uit één plaat zilver gedreven dienblad. Het doffe, rafelige blad dat eruit ziet als een archeologische vondst, lijkt erop te wijzen dat de kostbare verworvenheden van het ambacht dreigen te verdwijnen.

Het winnende ontwerp stelt ons gerust: zo'n vaart zal het niet lopen. Spring Light van de Duitse Monika Gimborn-Jochum bestaat uit 20 parasolletjes die met dunne, buigzame steeltjes in een metalen staaf zijn geprikt. Ieder asymmetrisch ovaaltje heeft een andere bewerking ondergaan waardoor het net even anders het licht weerkaatst. De kleinste luchtverplaatsing transformeert de vormpjes tot frivole dansers in een impressionistisch lichtballet. Spring Light is fascinerend en speels, doordacht en knap gemaakt, zo kan zilver dus ook zijn.

Het Licht van Zilver. In De Watertoren, Schoonhoven. T/m 6 juni, di-za 13-17 uur. Inl www.zilvergalerie.nl of 0182-381060.