Weinig uitschieters tussen Italiaanse debuutfilms

Voor de zevende keer biedt het New Italian Cinema Events-festival de gelegenheid zeven Italiaanse debuutfilms in de Nederlandse bioscoop te bekijken. Het festival selecteert uitdrukkelijk op eerste en tweede films, als daar cinematografisch interessante films tussenzitten is het mooi meegenomen. Het is een helder maar ook beperkend selectieprincipe. Waarom niet de vanuit filmisch oogpunt zeven beste Italiaanse films laten toeren? Want net zoals vorig jaar valt de kwaliteit wat tegen. Er zit maar één echte uitschieter tussen: L'isola van Constanza Quatriglio, al eerder te zien op het International Film Festival Rotterdam en het filmfestival van Cannes.

L'isola is een mooi voorbeeld van cinema geworteld in een regio – de beste Europese films komen tegenwoordig niet meer uit landen maar uit regio's. De film speelt zich af bij een kleine vissersgemeenschap op een piepklein eilandje vlakbij Sicilië. In het tegen de antropologie aanleunende L'isola wordt een vissersfamilie gevolgd, bestaande uit oma, vader, moeder, zoon en dochter. Turi is veertien en zijn zusje Teresa tien. Zonder het te expliciteren laat Quatriglio zien hoe beiden langzaamaan volwassen worden. Turi mag mee op tonijnjacht om de netten te laten zakken, die vervolgens langzaam weer worden opgehaald waarna de grote tonijnvissen met een soort pikhouweel worden binnengehaald. Quatriglio schrikt er niet voor terug dit ritueel in al zijn (bloederige) details te laten zien. Daarna mag Turi voor het eerst bier drinken. Vader schenkt simpelweg bier in zijn glas en maakt er verder geen woorden aan vuil.

L'isola heeft een heerlijk loom tempo dat het harde vissersbestaan nauwkeurig vastlegt. Die hardheid wordt prachtig onderbroken door kleine tedere momenten: het druppelen van oogdruppels in oma's ogen door Teresa en de zorgzame blik van Turi naar zijn zusje. Waarom deze film niet gewoon in Nederland wordt uitgebracht verbaast. Het eveneens regionaal gewortelde, maar veel slechtere Ballo a tre passi werd dat onlangs wel.

Wat aan de overige films opvalt zijn de slechte en dunne scenario's. Zo gaan in Capo Nord vier vrienden van Napels naar Noorwegen. Eenmaal daar aangekomen wordt het aantal karakters nog eens uitgebreid, zodat de film al snel te diffuus wordt en de aandacht verslapt.

Een bijna identieke fout zit in Pater familias, de terugblik van een jongen op zijn jeugd in Napels temidden van verkeerde vrienden. Die vrienden worden niet goed geïntroduceerd zodat we geen idee hebben wie ze zijn en wat ze betekenen voor het verhaal, met desinteresse tot gevolg. De komedie Emma sono io is aardig, maar ook te dun. Hij drijft volledig op het idee dat een neuroot van een vrouw die haar kalmeringspillen niet inneemt veel eerlijker is (lees: harder – dus grappiger) dan met pillen. Meer is het niet.

Iets beklijvender zijn Velocità massima, over mannenvriendschappen temidden van straatraces, en Piovono mucche, het op eigen ervaringen van de regisseur gebaseerde verhaal over een chaotisch psychiatrisch ziekenhuis dat draaiende wordt gehouden door dienstweigeraars. Hoe mager de oogst ook is, het roept wel een gedachte-experiment op: zou er tussen zeven Nederlandse debuutfilms überhaupt een uitschieter zitten? Eentje die in Cannes draait? Vooralsnog niet.

Festival: New Italian Cinema Events. T/m 12 mei in Cinerama Amsterdam en Cinema Kijkhuis, Leiden.