Wees niet bang voor nationaliteit

Het artikel van Melvin Krauss (NRC Handelsblad, 8 april) waarin hij de noodklok luidt over een mogelijke aantasting van de politieke onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank (ECB), noopt tot tegenspraak. Krauss ageert tegen het voorstel van de Europese ministers van Financiën om in de vacature die in de leiding van de ECB is ontstaan door het vertrek van de Spanjaard Domingo-Solans, te voorzien door benoeming van diens landgenoot Manuel González-Páramo. Volgens Krauss schept dit ,,een gevaarlijk precedent'' en wordt hiermee de weg ingeslagen van benoemingen waarbij het criterium `nationaliteit' een rol gaat spelen. Dat ,,betekent een geweldige terugslag voor de politieke onafhankelijkheid van de ECB en de deskundige besluitvorming bij de ECB'', meent hij. ,,Het is uit met de meritocratie als de belangrijke banen naar mensen uit het `juiste' land gaan, in plaats van naar degenen met de `juiste' vaardigheden.''

Deze voorstelling van zaken is eenzijdig en doet geen recht aan de precaire fase van institutionalisering waarin de ECB zich bevindt. De gesuggereerde tegenstelling tussen politieke onafhankelijkheid en benoemingen waarbij nationaliteit een rol speelt, mag in abstracto bestaan, het feitelijke gebruik van nationaliteit hoeft niet te leiden tot Krauss' schrikbeeld.

Een zuivere toepassing van een meritocratische selectie van topbankiers dat géén acht slaat op nationaliteit, is niet goed voorstelbaar. Immers, dan zouden ook burgers buiten de EU zich met evenveel recht kunnen kandideren of, evenzeer onvoorstelbaar, dan zou het merendeel van de top van de ECB uit Nederlanders kunnen bestaan indien op meritocratische overwegingen dit land de `beste' kandidaten zou kunnen leveren.

Nationaliteit zal daarom bij de selectie altijd een zeker gewicht in de schaal leggen, ook nu het Verdrag van Maastricht dit criterium niet uitdrukkelijk vermeldt.

Hierbij is het vertrouwen gewettigd dat de inhoudelijke kwaliteiten van de kandidaat zijn gewaarborgd, omdat een benoeming van een minder gekwalificeerde kandidaat op luide protesten zou stuiten, niet in de laatste plaats van zittende leden van de ECB.

Daarnaast is het risico van een misplaatste loyaliteit aan het land van herkomst en een daarmee samenhangend gebrek aan loyaliteit aan het inflatiemandaat klein. De samenstelling van een ander toporgaan van de EU, het Europese Hof van Justitie, waar de politieke onafhankelijkheid evenzeer van het grootste belang is, is in dit opzicht instructief.

In het Europees verdrag is uitdrukkelijk bepaald dat elke lidstaat één rechter levert. Elke rechter representeert als het ware zijn of haar land. Maar `representatie' is hier `descriptief': de rechters representeren hun land voornamelijk symbolisch.

Rechters leggen verantwoording af, níét door terug te gaan naar een achterban maar door de motivering van hun arresten en vonnissen. Wanneer rechters hun werk doen, representeren zij het Europees verdrag. Nationale belangenbehartiging zou binnen de collegiale rechterlijke besluitvorming op onneembaar verzet stuiten. Slechts achter de schermen en dus indirect kunnen en mogen zij hun kennis en ervaring van hun, soms andere rechtscultuur naar voren brengen.

De effectiviteit van de ECB wordt gediend als nationaliteit een gepaste, dat wil zeggen descriptieve, rol speelt bij haar samenstelling. De legitimiteit van beslissingen van de ECB, vooral van die welke indruisen tegen de belangen van grote landen, is mede afhankelijk van een evenwichtige, op nationaliteit gebaseerde samenstelling van dit orgaan.

Prof.dr. B.P. Sloot is hoogleraar rechtssociologie aan de Open Universiteit.