Pers moet zelf verantwoordelijkheid nemen

De burger moet assertiever worden en vaker van journalisten eisen dat zij verantwoording afleggen over hun manier van werken en consequenter hoor en wederhoor toepassen, meent Huub Wijfjes.

Minister Donner gaf afgelopen maandag een vermaning aan `de media'. Ook hij gebruikte dat merkwaardige containerbegrip waarmee iedere persoonlijke oprisping van onvrede over specifieke media blijkbaar kan worden gerechtvaardigd. Desondanks past zijn verzuchting in het grimmige debat over de journalistiek. Welke nieuwshoofdrolspeler heeft nog niet het verlangen geuit om voor eens en voor altijd een einde te maken aan het zinloze geweld van journalisten? De meeste voetbaltrainers, bedrijfsmanagers en politici in ieder geval wel.

Bij dezelfde gelegenheid waar Donner sprak, het congres over persvrijheid op 3mei in Amsterdam, trok burgemeester Cohen van leer tegen de gemakzuchtige journalistiek die een potje maakt van de werkelijkheid. In het voetbal zijn sancties zoals een persboycot al gemeengoed geworden. In de politiek blijft het nog beperkt tot verbaal geweld, maar voor hoelang? Donner gooide een balletje op dat gelezen kan worden als een dreigement: ,,Bij iedere tak van bedrijvigheid waar de producten zo belangrijk zijn voor de samenleving en het gevaar van verlies aan kwaliteit zo groot, zou de wetgever allang hebben ingegrepen.''

Wat zou hij hebben bedoeld? Een Wet op de Journalistieke Verantwoordelijkheid, zoals die in de jaren '50 serieus boven de markt zweefde en die zou hebben geleid tot een beroepsregister en tuchtrechtspraak voor journalisten?

Dat zo'n wetsontwerp serieus werd overwogen in de jaren '50 – het tijdvak waarnaar Donner en Balkenende zo zwoegend lijken te verlangen – geeft overigens wel aan dat mediakritiek niet exclusief van onze tijd is. In 1911 verzuchtte het Tweede-Kamerlid Brummelkamp: ,,Ach, waar zijn de dagen toen men een hoogstaande pers in Nederland had; een pers die begreep wat het was door juiste voordracht van zaken, door inlichting en voorlichting verkeerde opvattingen te bestrijden, het zakelijke te waardeeren, het verkeerde op waardige wijze af te keuren, en zoodoende een gezonde publieke opinie te helpen vormen, in steê van haar op een valsch spoor te leiden of te speculeeren op haar lagere instincten?'' Brummelkamp was overigens een antirevolutionair, net als Donner en de premier die in de jaren '30 een grondwetswijziging ter beteugeling van persexcessen wist in te dienen, Hendrik Colijn.

Een fatsoenlijke pers is dus een christelijk streven. Daarmee zou men de zaak-Donner kunnen afdoen, maar je moet wel stekeblind zijn om andere signalen niet te zien. Twee jaar geleden diskwalificeerde de Srebrenica-onderzoekscommissie de overdaad aan meningen en het gebrek aan feitelijkheid in de journalistiek. Vervolgens kwam de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling met het verwijt dat `medialogica' het politiek debat en openbaar bestuur is gaan beheersen. De Raad voor Openbaar Bestuur signaleerde eind vorig jaar een ongezonde kluwen van politici en journalisten in de arena waarin dagelijks betekenis aan de politiek wordt gegeven. Dat komt in de buurt van de, tijdens voornoemd congres, door UvA-onderzoekers afgegeven waarschuwing tegen een te grote invloed van voorlichting en public relations in de journalistiek.

Het komt er allemaal op neer dat de journalistiek de excessen genereert die we allemaal kennen en waar we allemaal zo graag over praten: de dagelijkse soap-stories uit de Haagse politiek, de kleedkamerjournalistiek bij het voetbal, het eindeloze uitmelken van schandaaltjes over seksuele escapades en topsalarissen, het achtervolgen van elke fout van een gezagsdrager en het ongelimiteerd klagen over iedereen die het even niet goed doet. Dat cynisch becommentariëren en afrekenen – bij voorkeur in extreme, quasi-leuke bewoordingen en zo hard en ongenuanceerd mogelijk uitgeschreeuwd – zit overal om ons heen. Idols is niet voor niets de belangrijkste gebeurtenis van het jaar en iedereen smult van het leuk en ongenuanceerd bepraten van het nieuws in Barend & Van Dorp en RTL-Boulevard.

De nieuwsmedia lijken te zijn gevangen door de sensatiejournalistiek, een verschijnsel dat H.J.A. Hofland in 1964 in het literair cultureel tijdschrijft Podium aldus beschreef: ,,Een schandaalpers is dus moralistisch, voortdurend achter de schermen op zoek naar ongerechtigheden, om deze in naam van de zogenaamd `juiste beginselen' en `een normale gang van zaken' te onthullen. De straf die de schandaalpers voor het abnormale uitdeelt, is de onthulling: verdiende loon voor degene die te slim, te rijk, te brutaal is of in het algemeen te gemakkelijk met de tien geboden omspringt. (...) De schandaalpers loert op iedereen die veel geld verdient, talent of macht heeft, zich opvallend gedraagt, kortom buitengewoon is.''

Dat was 1964, toen schandaaljournalistiek nog tot de kwalijk riekende rafelrand van het vak werd gerekend. Veertig jaar later is ze de kern van het vak geworden en roepen journalisten Peter R. de Vries uit tot omroepman van het jaar wegens onthullingen in `Mabelgate'. ,,Een schoolvoorbeeld van gedegen onderzoeksjournalistiek'', prees de jury de speurtocht van De Vries naar een dubieuze bron in Chili, die uiterst speculatieve uitspraken deed. Het bleek oncontroleerbare roddel en achterklap, maar het scoort. Je kunt slechts met verbazing kijken naar de manier waarop de hele journalistiek, inclusief de kwaliteitspers, kritiekloos achter die prutsonthulling is aangelopen. Vooral dat kritiekloze is verbijsterend, want kritiek is toch het zelf gemetselde fundament van de journalistieke cultuur.

Moeten we dat gaan verhelpen met wettelijke maatregelen? Natuurlijk niet. Ook Donner lijkt daar niet echt in te geloven, want hij verwijst naar de moordende concurrentie in de journalistiek als oorzaak. Tussen 1960 en 2000 is het aantal journalisten per 100.000 inwoners gegroeid van 25 naar 87. Vooral de audiovisuele sector met zijn enorme aandacht voor personalisering, beeldbaarheid, conflict, emotie en dramatisering is sterk gegroeid. Dat heeft commerciële strevingen aangewakkerd, ook bij de publieke omroepen en `publieke kranten'.

Markt en concurrentie leiden niet tot pluriformiteit, maar tot uniformiteit in een zee van snel scorende verhalen boordevol meningen die allemaal aan elkaar refereren. Dat zie je bijvoorbeeld goed in het journalistiek onderwijs. Opgejut in een financieringsstelsel dat kwantiteit beloont, laten de journalistieke hbo-opleidingen jaarlijks hordes studenten afstuderen op een zogenaamde `visie' op een onderwerp. Daarbij volstaat het om een rondje deskundigen te bellen. Enig zelfstandig onderzoek of het lezen van een boek is blijkbaar niet meer nodig. Dat soort curricula voeden de klacht dat het in de journalistiek gaat om een leuk opgeschreven of verbeelde mening en dat feiten daaraan ondergeschikt zijn.

Dáár zou men nu werkelijk iets aan kunnen doen en dat geldt ook voor het bevorderen van journalistieke zelfreiniging. Een ombudsman voor elk medium afzonderlijk (dus zeker géén algemene mediaombudsman) kan een belangrijke functie hebben. Een toenemend aantal kranten heeft al zo'n functionaris in dienst. Dat vereist grotere assertiviteit bij de burger, die vaker van journalisten moet eisen dat ze verantwoording afleggen. De hoge ambtenaar van Justitie die een smaadproces begon tegen Panorama en de Gay-krant blijft de uitzondering.

De burger kan van zijn eigen media vragen dat ze ruimhartiger rectificeren, meer openheid over de gevolgde werkwijze betrachten, een serieuze klachtenafhandeling organiseren en consequenter hoor en wederhoor toepassen. Daar hebben we geen wetten voor nodig, want media zijn deel van het vrije maatschappelijke verkeer en geen onderdeel van het overheidsbeleid of het openbaar bestuur. Media zijn van ons allemaal, dus als we vinden dat ze een wanprestatie leveren, moeten we dat onszelf aantrekken.

`De media' van buiten af reglementeren is overigens niet alleen gevaarlijk, het is ook naïef. De hoofdrolspelers in het nieuws hebben immers de groeiende concurrentie in de journalistiek bepaald niet lijdzaam over zich heen laten komen. Iedere sportclub heeft tegenwoordig wel een eigen krant en website, die uitblinken in juichverhalen. Veel banken, pensioenfondsen of winkelketens kennen een corporate magazine dat probeert op een beetje journalistieke manier de informatie te slijten waar kranten en omroepen blijkbaar geen interesse meer voor hebben. Ook overheden genereren media-inhoud die buiten de vuile handen van journalisten tot stand komt. Al die initiatieven zenden een eenduidig signaal uit: doen de media niet meer aan complete en faire verslaglegging, dan doen we het zelf wel.

Deze vorming van quasi-journalistieke velden lijkt mij een grotere bedreiging voor de persvrijheid dan een proefballonnetje van een minister.

Huub Wijfjes is verbonden aan de masteropleiding Journalistiek van de Rijksuniversiteit Groningen en auteur van `Journalistiek in Nederland 1850-2000. Beroep, cultuur en organisatie' (Boom Uitgevers 2004).