Negatiefs uit Den Haag

Onze minister van Justitie staat bekend als een man die zijn woorden zorgvuldig kiest. Juist daarom is zijn nauwelijks verholen aanval op de persvrijheid zo bedenkelijk. De bewindsman brak deze week de staf over kranten die de feiten geweld aan doen door ,,te schrijven wat mensen willen horen, wat de aandacht trekt, wat verkoopt, in plaats van [over] wat er werkelijk aan de hand is'' (zijn bijdrage in de Volkskrant gisteren). Iets verderop in zijn stuk komt de aap uit de mouw. ,,Het voortdurend aan de kaak stellen van het onvermogen van overheden, het gaat erin als koek.'' De minister is politiek verantwoordelijk voor nogal wat instanties en personen die niet tegen hun taak zijn opgewassen en elkaar vanuit door belastingbetalers gefinancierde schuttersputjes regelmatig onder vuur nemen. Concrete voorbeelden van de geringe effectiviteit van het politie- en justitieapparaat worden in de krant met recht breed uitgemeten, evenals recente aanvaringen tussen politietop en openbaar ministerie. Zulke onaangename feiten bezorgen de minister een slechte pers en ze worden door zijn legertje voorlichters in Den Haag het liefst gebagatelliseerd of weggemoffeld. Het siert de beschadigde minister niet dat hij de boodschappers verdacht maakt.

Maar ook is het ontegenzeggelijk waar dat de berichtgeving in de kranten en op de televisie te vaak slordig of ronduit suggestief is. De huidige opmaak van de kranten – veel foto's, grote koppen – komt over als een luidruchtige schreeuw om aandacht van de berichtenmakers.

Voor deze stand van zaken bestaan verklaringen. De feiten lijken steeds lastiger te bevatten. De belastingwetgeving, het stelsel van sociale zekerheid en de financiering van de gezondheidszorg, om een paar dwarsstraten te noemen, zijn – behalve voor een beperkte groep van ingewijden – volstrekt ondoorgrondelijk geworden, terwijl bijna elke burger er mee te maken heeft. Ook serieuze journalisten, die over deze en andere `moeilijke' onderwerpen berichten, beseffen dat zij moeten proberen hoe dan ook de aandacht te vangen van lezers die minder tijd nemen om de krant te spellen.

Deze gedachten kwamen op toen ik direct na het stuk van minister Donner met een heel andere negatieve ontwikkeling in Den Haag werd geconfronteerd, in de vorm van het `Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven' van 29 maart jongstleden. Dit besluit betekent een doorbraak. Het behelst de invoering van de negatieve inkomstenbelasting in Nederland. Tot nu toe gaf de fiscus alleen geld terug aan mensen die eerst te veel belasting hebben betaald, bijvoorbeeld omdat hun werkgever in de loop van het jaar te veel loonbelasting heeft ingehouden op het salaris of de pensioenuitkering. Dat gaat veranderen. Sommige burgers krijgen zonder meer recht op een uitkering door de fiscus.

Doelgroep van de nieuwe regeling zijn mensen die zo'n laag inkomen hebben dat zij niet hun hele aftrekpost voor hoge ziektekosten kunnen verzilveren. Wie al nauwelijks of geen belasting betaalt, kan nu eenmaal niet profiteren van een belastingvermindering. Door het kabinetsbeleid (hogere eigen betalingen) hebben met name steeds meer 65-plussers recht op aftrek van ziektekosten. Het ministerie van Financiën schat dat een vijfde deel van de totale aftrekpost (van 2 miljard euro) echter niet te gelde kan worden gemaakt, omdat de betrokken ouderen en chronisch zieken, gezien hun lage inkomen, geen belasting betalen. CDA-fractievoorzitter Verhagen heeft anderhalf jaar geleden aandacht gevraagd voor deze zogenoemde `verzilveringsproblematiek'.

Het Tijdelijk besluit moet uitkomst bieden. De regeling geldt slechts voor de jaren 2004 en 2005. Daarna hoopt het kabinet over een breder subsidie-instrument te beschikken: de zorgtoeslag. Die is onmisbaar, omdat bij het in 2006 in te voeren stelsel van verzekeringen tegen ziektekosten iedereen een even hoge premie gaat betalen, die niet langer van het inkomen afhankelijk is.

De berekening van de nieuwe tegemoetkoming is zo ingewikkeld dat deze plaatsvindt – citaat uit de officiële toelichting – ,,zonder dat enige actie van de belastingplichtige zal zijn vereist''. Belanghebbenden hoeven de subsidie dus niet zelf aan te vragen; de fiscus doet al het werk. Wel moet aangifte voor de inkomstenbelasting zijn gedaan. Anders beschikt de belastingdienst immers niet over de benodigde gegevens. Veel van de bijna 300.000 65-plussers die van de regeling zouden kunnen profiteren – gemiddeld kunnen zij meer dan 200 euro tegemoet zien – doen op dit moment echter geen aangifte. De overheid moet ze op een of andere manier opsporen en bewegen voortaan aangifte te doen.

De hiermee gemoeide 85 miljoen euro komt als uitgaaf ten laste van de begroting van Volksgezondheid. De belastingontvanger fungeert slechts als doorgeefluik. Daarmee vormt de regeling het zoveelste voorbeeld van de fiscus ,,als pakezel die de lasten moet dragen van wat elders misgaat'' (de grote fiscalist Hofstra). Dat zij er is gekomen, betekent ondertussen een nederlaag voor minister Zalm, die altijd het standpunt innam dat de belastingdienst geld moet incasseren in plaats van het uit te delen.