Opinie

    • Marjoleine de Vos

Waarin gezelschap van vriendschap verschilt

Iedereen is of gaat nu op reis. Om ervaringen op te doen. Omdat ze in vreemde landen de dingen anders doen dan wij ze doen en omdat je daar met verbazing, nieuwsgierigheid, jaloezie of afschuw naar kunt kijken. Zelfs al beweert men dat de wereld één groot dorp is geworden waar iedereen overal op zijn telefoon naar Facebook zit te kijken. Ja wij hebben ook stokbrood maar in Frankrijk smaakt het anders. De Atheense straten ruiken naar Atheense straten zoals Amsterdamse grachten naar zichzelf ruiken. En dan praten we nog niet over de mensen. Ook anders.

Alweer een paar maanden geleden verscheen een ruimschoots postuum boek van Frans van Hasselt, de vroegere correspondent in Griekenland van deze krant, overleden in 2011, Beladen erfgoed. Het Griekenland van voor de crisis. Het is een fijn boek voor wie zich een beetje voor Griekenland interesseert, kwesties die niemand ooit snapt zoals het gehannes om de naam Macedonië worden duidelijk uitgelegd, met stijl, enige afstand en begrip voor de Griekse gevoeligheden. Maar het gaat ook over de taverna-cultuur, het Griekse onderwijs, de taal en de muziek. Ik hoopte er ook een verhandeling in te vinden over een onderwerp waar Van Hasselt het graag over had: ‘paréa’. Gezelschap. Het woord komt er wel in voor, maar helaas niet zijn filosofie met betrekking tot dit onderwerp.

Dat zit namelijk zo, leg ik dan maar losweg uit: de Griek legt over het algemeen, volgens Van Hasselt, het accent meer op gezelschap dan op vriendschap. In dit gezelschap wordt gediscussieerd, gezongen, gepraat over politiek of de prijs van de vis, men amuseert zich met elkaar of is boos op elkaar. Men wisselt niet zozeer vertrouwelijkheden uit en stelt geen hoge eisen.

In Nederland ligt het accent meer op de persoonlijke vriendschap. In een brief schreef Van Hasselt eens dat hij in de loop der tijd van een vriendschapsmens tot een paréa-mens was geworden.

Niet al te lang geleden las ik zoiets ook in een boek van Nicolaas Matsier: dat hij tegenwoordig een geslaagd praatje op straat, een gelukt burencontact, eigenlijk net zo bevredigend vond als ‘vriendschap’. Ik kan het niet terugvinden dus ik zal het wel wat overdrijven, maar daar kwam het meen ik op neer. Misschien leek hij zelfs te vinden dat vriendschap een lichtelijk overschat fenomeen is. Net als die Grieken dat schijnen te vinden.

Het gaat hier dunkt me niet om een Proust-achtige ontkenning van de mogelijkheid van vriendschap, om het idee dat men uiteindelijk toch alleen is en alles wat waar en echt is in de eigen geest beleefd wordt. Al speelt iets van zijn overtuiging wellicht toch mee: dat het meer om menselijk contact gaat, dan om iets ‘diepers’.

En hoe vaak heb je inderdaad niet gewoon plezier in het samenzijn met anderen, of heb je met vrienden een ondiep maar opwekkend gesprek. Maar het specifieke genoegen dat je aan de vriendschap beleeft, komt wel voort uit iets diepers, uit een gevoel van verbondenheid. Of misschien is ‘verbondenheid’ eigenlijk nog een te licht woord: gaat het wel degelijk om een vorm van liefde, wederzijds, en is het dat gevoel dat op de bodem ligt van elke ontmoeting en de vriendschap voortdurend in zijn warme licht zet en er betekenis aan geeft, óók als je het over het pureren van aardappelen hebt.

Of het Griekse gezelschap ook zoiets voelt, weet ik niet. Dat kun je niet zien. Je kunt wel met nieuwsgierigheid naar ze kijken. Wat zijn ze fijn anders! Jaloersmakend, de manier waarop ze in gezelschap zijn en het naar hun zin hebben.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos