Rigide collectiviteit

De korte slag en de lange golf lopen zelden parallel in de pensioenregelingen van de sociale zekerheid. Op de korte termijn kan de economische conjunctuur leiden tot oplopende jeugdwerkloosheid, waardoor het aantrekkelijk is oudere werknemers vervroegd te pensioneren zodat ze plaats maken voor jongeren op de arbeidsmarkt. Maar de lange golf van vergrijzing noopt tot verlenging van het aantal arbeidsjaren om de grondslag voor premiebetalingen te verhogen en de verhouding actieven-inactieven niet uit het lood te laten slaan. De invoering van nieuwe arrangementen heeft bovendien een lange aanlooptijd en wat nu afgesproken wordt over VUT, prepensioen of levensloopregelingen werpt pas over jaren merkbare resultaten af.

In het regeerakkoord en later in het Belastingplan 2004 kwam het kabinet met radicale voorstellen. Afschaffing van de `omkeerregeling' – premies fiscaal aftrekbaar, uitkeringen belast –, invoering van een levensloopregeling en 65 jaar als norm voor pensionering. Daarna kwam het overleg met de sociale partners op gang en eind vorig jaar werd een voorlopig akkoord bereikt: in ruil voor bevriezing van de CAO-salarissen in 2004 en 2005 was het kabinet bereid tot afzwakking van de ingrepen in VUT en prepensioen. Tot 1 mei was er tijd om tot overeenstemming te komen. Die datum is zonder resultaat verstreken en deze week heeft minister De Geus (Sociale Zaken, CDA) de oorspronkelijke kabinetsplannen met enkele wijzigingen van stal gehaald. Breekpunt was de vakbondseis van afdwingbare collectieve regelingen. Het kabinet hield vast aan de mogelijkheid van individuele vrijheid van werknemers om zich niet bij vroegpensioenschema's aan te sluiten en voor eigen invulling te kiezen. De kans dat de bonden hun bereidheid tot loonbevriezing in 2005 zullen loslaten, acht het kabinet kennelijk klein.

Achter de taaie kost van het socialezekerheidsjargon gaan belangrijke kwesties schuil. Kwesties die niet alleen betrekking hebben op individuele afwegingen zoals het moment waarop vervroegde uittreding mogelijk is, maar ook op de concurrentiepositie van de Nederlandse economie. Pensioenregelingen, in welke vorm ook, zijn duur. De patstelling in het overleg tussen het kabinet en de sociale partners en de stoere taal van het kabinet om alsnog de eigen plannen door te voeren, verhullen een paar opmerkelijke verschuivingen gedurende de onderhandelingen van de afgelopen zes maanden. Ten eerste heeft de vakbeweging gekoesterde verworven rechten losgelaten door in te stemmen met langer werken en later uittreden. Ten tweede is de levensloopregeling aanvaard als alternatief voor oudedagsregelingen. Ten derde heeft het kabinet enige soepelheid betracht door akkoord te gaan met 63,5 jaar en in de praktijk een nog lagere leeftijd voor vervroegde uittreding. Wat restte was het principiële punt van de uittreedleeftijd en het al dan niet verplichte karakter van de collectieve regeling. Terecht wilde het kabinet op dat laatste niet ingaan.

Het is te billijken dat aan de fiscale begunstiging van vervroegde uittredingsregelingen een einde wordt gemaakt. Daar moet een grotere vrijheid voor individuele invulling tegenover staan. Pensioenregelingen blijven nu eenmaal een combinatie van sociale arrangementen en maatwerk. Daarom is het ook zo lastig. De komende weken moeten het kabinet en de sociale partners alles op alles zetten om alsnog deugdelijke afspraken over flexibiliteit bij de prepensioenleeftijd te maken.