Overheid helpt familiebedrijven bewust om zeep

Familiebedrijven zijn de motor van de economie, maar politiek en overheid hebben dat nog steeds niet begrepen en strooien voortdurend zand in die motor in plaats van hem te smeren, meent Theo Compernolle.

De overheid hanteert verschillende methoden om ondernemers het leven moeilijk te maken en het scheppen van werkgelegenheid te verhinderen. De meerwaarde op aandelen van ondernemers, bijvoorbeeld, wordt veel zwaarder belast dan niet-ondernemend aandeelhouderschap.

Wetgeving rond WAO en ontslag wordt opgesteld alsof er alleen grote bedrijven zijn en gaat voorbij aan de werkgelegenheid vernietigende invloed die deze wetten hebben in kleine en middelgrote ondernemingen. Het huidige regime van successiebelasting zal de komende tien jaar duizenden arbeidsplaatsen kosten.

De politici laten zich klaarblijkelijk meer leiden door krantenartikelen dan door de harde cijfers uit onderzoeksrapporten. Het beeld dat de media ons voorhouden, is dat onze economie drijft op de grote multinationals, maar dat is een totaal vertekend beeld.

Het zijn niet die beursgenoteerde multinationals die de ruggengraat zijn van onze economie, maar de familiebedrijven. In Nederland is 55 procent van de bedrijven een familiebedrijf. En het zijn niet alleen kleintjes. Van de 5.000 grootste bedrijven is 45 procent een familiebedrijf.

Ook op het gebied van onderzoek en ontwikkeling spelen familiebedrijven een belangrijke rol. In Nederland wordt 34 procent van de octrooien aangevraagd door bedrijven met minder dan 100 werknemers, 12 procent door bedrijven met honderd tot vijfhonderd werknemers, en 21 procent door particulieren.

Dit geldt niet alleen voor Nederland maar voor de hele wereld. In de VS zijn de familiebedrijven verantwoordelijk voor 50 procent van het bruto nationaal product, voor 60 procent van de werkgelegenheid en voor 78 procent van de banen. In Australië zijn 340 van de 500 grootste niet aan de beurs genoteerde bedrijven familiebedrijven. In Azië zijn de percentages nog hoger.

De Duitse kleine en middelgrote bedrijven, waarvan de meeste familiebedrijven zijn, betalen 44,8 procent van alle belastingen, ze realiseren 57 procent van het bruto nationaal product, ze maken 69,3 procent van de werkgelegenheid uit en ze leiden 80 procent van de jonge werknemers op.

Uit recent onderzoek blijkt dat zelfs vele grote internationaal opererende beursgenoteerde bedrijven gecontroleerd worden door families.

Op de Parijse beurs zijn dat er 57 procent, op de Duitse 72 procent, op de Italiaanse 65 procent en op de Spaanse 67 procent. Circa één op de drie bedrijven in de Fortune 500 wordt gecontroleerd door een familie en die bedrijven doen het op de beurs significant beter dan de andere.

Familiebedrijven zijn ook helemaal niet `uit' of uitgeteld door de nieuwe economie. In Frankrijk nam het aantal familiebedrijven tussen 1993 en 1998 toe van 48 tot 57 procent. Ook in Duitsland is in die periode een stijging te noteren: het aantal familiebedrijven onder de 250 grootste beursgenoteerde ondernemingen steeg van 39 tot 51 procent. Bovendien zijn familiebedrijven een betrouwbaarder werkgever in tijden van recessie.

Het is hoogst merkwaardig dat de Nederlandse overheid het familiaal ondernemerschap sterk ontmoedigt, werkgelegenheid vernietigt en gezonde bedrijven in gevaar brengt met maatregelen die ingaan tegen alle bedrijfseconomische én maatschappelijke belangen. De Nederlandse staat pleegt bijvoorbeeld jaarlijks `moord met voorbedachten rade' op honderden familiebedrijven door ze letterlijk een doodschop te geven op het moment dat ze het meest kwetsbaar zijn: op het moment van de overdracht van de ene generatie op de andere.

Dat gebeurt zonder rekening te houden met het feit dat familiebedrijven verantwoordelijk zijn voor de helft van de werkgelegenheid en dat ze langer blijven voortbestaan dan niet familiale bedrijven.

Het gaat daarbij niet om het verlies van enkele arbeidsplaatsen, maar om het verlies van vele duizenden banen, omdat in de komende tien jaar honderdduizend familiebedrijven te maken krijgen met opvolging als gevolg van de vergrijzing. Hierdoor vernietigt de overheid veel meer arbeidsplaatsen dan ze met veel kunst- en vliegwerk en met nepbanen realiseert.

Als kinderen een bedrijf erven en willen voortzetten, moeten ze er rekening mee houden dat de overheid zich gedraagt als een verwende erfgenaam. Een erfgenaam die niets van het bedrijf afweet, die meteen een kwart van de waarde opeist, ook als dat een louter papieren waarde is. Een erfgenaam die op een zeer ongelegen moment geld kan eisen, omdat bijvoorbeeld al het geld in het bedrijf zit, en daardoor een kwart van het bedrijf, of het hele bedrijf moet worden verkocht.

Enkele aderlatingen kan een ondernemer voorkomen door tijdig maatregelen te nemen. Als hij aan een lange lijst voorwaarden voldoet, kan 30 procent van de erfenis worden vrijgesteld van successierecht. De belasting op de resterende 70 procent kan aankomen als een schot onder de waterlijn, waaraan niet te ontsnappen valt zonder zeer creatieve belastingontwijkende of -ontduikende maatregelen. Als een ondernemer echter onverwachts overlijdt, zonder maatregelen genomen te hebben, zal de staat het de ondernemende erfgenamen heel moeilijk tot onmogelijk maken het bedrijf gezond voort te zetten.

Het kan anders. In de ons omringende landen hebben politici zich tijdig gerealiseerd dat door de vernietiging van arbeidsplaatsen en kapitaal een veelvoud verloren gaat van wat de successiebelasting opbrengt. Vermindering of afschaffing van de belasting bij staking of overdracht van een bedrijf maken het ondernemen voor de opvolgers gemakkelijker en aantrekkelijker.

In Vlaanderen bijvoorbeeld werden reeds in 1997 de successierechten voor de vererving van aandelen van familiebedrijven – onder voorwaarden – tot 3 procent gereduceerd. Recent is een wetgevend initiatief gelanceerd om een nultarief in te voeren.

Ondernemend aandeelhouderschap zou beloond moeten worden, en niet bestraft.

Stelt u zich eens voor wat die familiebedrijven voor de economie zouden kunnen betekenen als ze door de overheid niet werden tegengewerkt maar juist worden geholpen, in het bijzonder op dat zeer kwetsbare moment van de opvolging.

In de jaren vijftig werd de wetgeving wat in de marge aangepast, maar de grondslag van het successierecht, die nog uit de negentiende eeuw dateert, werd niet ter discussie gesteld.

Door die rechtsgronden fundamenteel te toetsen aan de noden van bedrijven in onze 21ste eeuw en door onder eenvoudige voorwaarden de huidige successiebelasting af te schaffen, zal de overheid de kans verkleinen dat de werkgelegenheid van vele duizenden mensen verdwijnt in de honderdduizend bedrijven die tussen nu en 2010 overgedragen moeten worden.

Prof.dr. Theo Compernolle is verbonden aan de Business School INSEAD te Fontainebleau. Hij was voorzitter van het Nationaal Congres Familiebedrijven van Management Centrum De Baak, dat onlangs in Driebergen is gehouden.