Op de pianist schieten

Het is inspirerende beeldspraak. De media – de gedrukte, de televisie en de radio, alles bij elkaar – vormen een bedrijfstak. ,,Bij iedere andere tak van bedrijvigheid waar de producten zo belangrijk zijn voor de samenleving en het gevaar voor verlies van kwaliteit zo groot, had de overheid allang ingegrepen', zei minister van Justitie Donner maandag in zijn toespraak tijdens een congres over persvrijheid. (zie ook de Opiniepagina van gisteren). Hij heeft gelijk. Als de zuivelindustrie dag in dag uit ranzige boter levert, grijpt de Keuringsdienst van Waren in.

De minister had het in het bijzonder over de weergave van ,,zachte feiten, reputaties, meningen, beelden, de toonzetting van feiten'. In zulke gevallen ,,schept de berichtgeving een eigen wereld die de echte kan verdringen en zo reputaties kan maken of breken, levens kapot kan maken (...) en bron kan zijn van onrust en oorlog. (...) Dat wordt in de huidige tijd versterkt door het verschijnsel van de media die elkaar `napraten' en elkaar als voldoende bron voor betrouwbare berichtgeving gaan beschouwen.'

Alweer ben ik het met hem eens. Hij is trouwens niet de eerste die het zegt. Ik dacht aan een artikel van Maurits Barendregt, hoogleraar aansprakelijkheid (Nederlands Juristenblad 24 oktober 2003). Het heet: Breidel de pers: gewone aansprakelijkheid voor gewone bedrijven. Barendregt ontwikkelt soortgelijke gedachten zonder tot overheidsingrijpen te komen. Reputatieschade vergelijkt hij met blikschade in het verkeer. Waarom kun je reputatieschade door een perspublicatie niet ,,net zo behandelen als blikschade bij auto's, zonder dat daarbij de vrijheid van meningsuiting echt in gevaar komt?', vraagt hij zich af. Soms is het wat moeilijker, als schade ontstaat uit een soort botsing waarbij tientallen weggebruikers op één ongelukkige zijn ingereden.

Dergelijk verschijnsel wordt in zekere zin behandeld door de Groningse mediasocioloog Peter Vasterman in zijn proefschrift over mediahypes. Hij definieert het verschijnsel als ,,een mediabrede, snel piekende nieuwsgolf die één gebeurtenis als startpunt heeft en die voor het grootste deel het gevolg is van zichzelf versterkende processen binnen de nieuwsproductie.' Hypes kunnen de kracht van een vloedgolf na een dijkdoorbraak hebben. Niet zelden zijn er partijen die belang hebben bij zo'n vloedgolf, zodat ze de doorbraak forceren. Daar zijn zelfs speciale technieken voor ontwikkeld. Meestal zie je het in het entertainment, maar ook de politiek is er niet afkerig van. En in het gebied tussen entertainment en politiek, als de naam van een publiek persoon wordt voorzien van het toevoegsel gate. Ik noem niemand in het bijzonder.

Zo komen we tot de volgende publicatie, het boek van Frank van Vree en Mirjam Prenger, Schuivende Grenzen. De vrijheid van de journalist in een veranderend medialandschap, op het genoemde congres ten doop gehouden. Ik ga af op de samenvattingen in de kranten. Ze betogen dat journalisten steeds afhankelijker worden van voorlichters en pr-mensen. Onderzoek in het buitenland wijst uit dat gemiddeld 80 procent van het financiële nieuws en 40 tot 50 procent van het gewone nieuws van public relations en voorlichting afkomstig is. ,,Er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit in Nederland anders ligt.'

Bovendien blijkt uit interviews dat hoofdredacteuren steeds meer rekening houden met de wensen van adverteerders.

Het is bij elkaar een treurig beeld. `De' media kunnen zonder dat ze verantwoording hoeven af te leggen, straffeloos mensen in het ongeluk jagen, zelfs oorlogen aanstichten. Ze zijn tegelijkertijd slachtoffer van en medeplichtig aan hype. Intussen lopen ze vaak aan de teugels van voorlichters en de dames en heren van de public relations. De maatschappij in haar geheel is daarvan het slachtoffer. Maar terwijl we dat beseffen, kunnen we er niets aan veranderen. Want proberen we het, dan is daar altijd weer het taboe: de persvrijheid!

En nu heb ik één probleem nog niet genoemd: dat van de zogenaamde ontlezing. Steeds minder mensen, kinderen, volwassenen, jongvolwassenen, zijn ertoe te bewegen zich in een krant te verdiepen, naar de televisie te kijken als daar niet wordt gevoetbald, een idol wordt gekozen, gehakt, geschoten, gepornood of anderszins lol getrapt wordt. Wat moet zo'n medium doen om te overleven? Meedoen? Het nieuws opleuken, de hype van de dag bevorderen, de berichtgeving zo dicht mogelijk bij huis houden waardoor de meeste mensen er nog iets van begrijpen? Het wordt allemaal al geprobeerd. De Britse boulevardpers heeft records bereikt, de media van Rupert Murdoch zelfs het absloute meesterschap. Ook in het Verenigd Koninkrijk en in Amerika maken de wetenschap en een deel van de politiek zich bezorgd. Maar dan altijd is daar weer: de persvrijheid.

Donner, Vasterman, Barendregt, Van Vree en Prenger, ze hebben allemaal recht van spreken, goede gronden voor hun kritiek. Maar het is deelkritiek. `De' media zijn niet uit zichzelf geboren. Ze zijn deel van de westerse cultuur die zich op alle fronten in een opperste staat van opwinding en af en toe regelrechte hysterie bevindt. Om eens een zeer ernstig voorbeeld te noemen, dat niet uit de koker van `de media' komt: de massavernietigingswapens van Saddam Hussein. Begint u daar nu weer over, zult u misschien denken. Pardon. Het enige wat ik wil zeggen is, dat als we generaliseren, `de media' en `het publiek' in het Westen onderdeel van hetzelfde vraagstuk zijn. Dat wordt niet opgelost met een paar maatregelen van hogerhand.

Gerectificeerd

Vasterman

In de column Op de pianist schieten (5 mei, pagina 9) wordt Peter Vasterman de Groningse mediasocioloog genoemd. Vasterman is verbonden aan de School voor Journalistiek te Utrecht.

    • H.J.A. Hofland