Wie was Adolf Hitler ook alweer?

Steeds minder mensen weten waarom wij onze gevallenen herdenken. Johannes Schroots en Maarten Langemeijer hebben een oplossing.

De tijd van herdenken, kransleggen en bevrijding is weer aangebroken, net als de tijd van vergeten waartoe dit alles dient. Oudere generaties houden zich strikt aan de twee minuten stilte en herdenken ernstig de gevallenen voor het vaderland. Daarentegen spelen en rijden steeds meer jongeren rustig door tijdens die intense stilte op de vierde mei en verbazen zij zich op z'n hoogst over het luiden van de kerkklokken.

Dit is de laatste jaren een vertrouwd beeld, maar met een wrang randje, zeker als je in de krant van 6 april moet lezen dat ruim één op de tien Britten denkt dat Adolf Hitler een verzonnen figuur is. De beschuldigende vinger gaat al snel naar het geschiedenisonderwijs, en parlementaire steun voor het oprichten van een Nationaal Historisch Museum haalt het nieuws. Je kunt er de klok op gelijk zetten. De klok van het Geheugen, de klok van Generaties en de klok van de Geschiedenis, de drie G's van herdenken en vergeten. Het probleem is dat het grote publiek, maar ook veel opiniemakers, politici, bestuurders, beleidsfunctionarissen en wetenschappers nauwelijks op de hoogte zijn van basale gegevens over de menselijke geest.

Laten we beginnen met `het Geheugen'. Sinds het eind van de 19de eeuw weten we dankzij de Duitse geheugen-psycholoog Ebbinghaus dat gebeurtenissen uit het recente verleden beter onthouden worden dan gebeurtenissen uit het verre verleden. Ebbinghaus ontwikkelde de beroemde `vergeetcurve' die laat zien dat mensen – gevraagd naar hun herinneringen – meer recente dan oudere herinneringen produceren en wel zodanig dat een langwerpige S-vormige kromme ontstaat met de minste herinneringen aan de peutertijd (laagste punt) en de meeste herinneringen aan de afgelopen periode (hoogste punt) waarin je bijvoorbeeld getuige was van een ernstig ongeluk.

De `vergeetcurve' van Ebbinghaus is een robuust fenomeen, maar vertoont een afwijking bij oudere leeftijdsgroepen. Als we aan ouderen vragen belangrijke levensgebeurtenissen te noemen, dan vinden wij geen S-vormige kromme die keurig afloopt naar nul herinneringen voor de leeftijd van twee jaar, maar juist een onverwachte toename van het aantal herinneringen tussen de 10 en 30 jaar met een piek rond de 20. Dit fenomeen, aangeduid met `bump' of geheugenknobbel, werd ontdekt in de jaren '80 en blijkt aanwezig bij vrijwel iedereen vanaf 40 jaar.

Het opvallende aan de geheugenknobbel is dat het hier om een universeel verschijnsel gaat, waarbij het niet uitmaakt of de herinneringen op persoonlijke levensgebeurtenissen slaan, zoals werk en relaties, dan wel op belangrijke politieke gebeurtenissen. Uit onderzoek blijkt telkens weer dat de levensperiode van 10 tot ongeveer 35 jaar de periode is waaraan mensen van 40 jaar en ouder de meeste, voornamelijk positieve, herinneringen bewaren.

Dit leidt tot de vraag welk effect deze neuropsychologische geheugenknobbel op het collectieve geheugen heeft. Welke invloed heeft het op het denken van `Generaties'? Onderzoek op allerlei terreinen heeft tot de welhaast onvermijdelijke conclusie geleid dat het wereldbeeld en de identiteit van mensen van middelbare leeftijd en ouder sterker wordt bepaald door ervaringen uit de `knobbelperiode' van 10-30 jaar dan uit die van andere levensperioden. Neem een hoger opgeleide oudere werknemer van 61 jaar. Deze is geboren in het oorlogsjaar 1943, wat volgens de `knobbelformule' een wereldbeeld oplevert dat voornamelijk wordt gevormd door de `bump'-periode van 1953 tot 1973, dus van watersnoodramp en wederopbouw in de jaren '50 tot Beatles, Stones, seksuele revolutie, Maagdenhuis en de democratiseringsgolf in de jaren '60 en '70. De levenservaringen uit die periode, opgeslagen in het collectieve geheugen van deze generatie, bepalen voor een groot deel het referentiekader van normen en waarden waarmee zestigjarigen met hun werk bezig zijn (geweest), tegen het onderwijs aankijken, vorm geven aan hun relaties en niet in de laatste plaats bepaalde opvattingen koesteren over de zin en betekenis van dodenherdenking en bevrijding. Eén ding is zeker, anno 2004 koesteren 60-jarigen andere ideëen en verwachtingen dan 20- en 40-jarigen, waarbij verschillen in historisch besef en culturele identiteit grotendeels terug te voeren zijn op verschillen in de `bump' van de collectieve geheugeninhoud.

De `knobbelperiode' speelt dus een belangrijke rol in de ontwikkeling van ons wereldbeeld. In hoeverre heeft dit invloed op onze kennis van `de Geschiedenis'? Het bewustzijn van de eigen cultuur en geschiedenis is geen statische aangelegenheid, maar een dynamisch gedachtegoed dat aan verandering onderhevig is onder invloed van de generatie leidende politici, ondernemers en opiniemakers. De leeftijd van de generatie die nu een leidende positie bekleedt, varieert van ongeveer 45 tot 70 jaar. Dit betekent dat voor de huidige generatie opiniemakers persoonlijke oorlogservaringen – gelet op de collectieve geheugenknobbel – nauwelijks meer een rol spelen en dat voornamelijk de naoorlogse gebeurtenissen nog tellen in de persoonlijke herinnering. Zo'n zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog groeit bovendien een generatie op voor wie niet alleen de Eerste maar ook de Tweede Wereldoorlog louter geschiedenis is.

Nu de oorlog langzamerhand wegvalt als bindend historisch element, moeten wij uit cultureel lijfsbehoud op zoek naar nieuwe historische bindingen. Het gericht zoeken naar nieuwe bindingen in de vaderlandse geschiedenis is echter een hachelijke zaak, omdat allerlei simplificaties en -ismen, bijvoorbeeld het nationalisme, op de loer liggen. Zo wist Slobodan Milošovic zes eeuwen na dato de Slag om Kosovo Polje (1389) aan te wenden voor oplaaiend Servisch nationalisme en pogen Israëlische en Palestijnse archeologen opgraving na opgraving hun `eerstgeboorterecht' op het grondgebied van de huidige staat Israël te `bewijzen'.

Op dit moment speelt zich een controverse af tussen degenen die vinden dat geschiedenisonderwijs thematisch of chronologisch moet worden behandeld. Dat is ons inziens een schijntegenstelling, als men maar vasthoudt aan de basale notie dat de temporele structuur de kern van het geschiedenisonderwijs vormt en de selectie van gebeurtenissen op de tweede plaats komt. Over die selectie valt te twisten, over de temporele structuur niet. De kern van welke Europese of vaderlandse geschiedenis is de chronologische structuur van jaartallen en periodes die op bepaalde historische gebeurtenissen slaan. De informatie-gevoelige knobbelperiode van een generatie leent zich bij uitstek voor het aanbrengen van die structuur, die bij jong en oud als kapstok dient voor historische informatie.

Steeds meer mensen zijn vergeten waarvoor de gevallenen die we vandaag herdenken, ooit sneuvelden. Dat is een natuurlijk proces waarin we kunnen berusten of dat we kunnen proberen om te buigen in de gewenste richting. Onze voorkeur gaat uit naar het laatste. Laat leerlingen jaartallen uit hun hoofd leren. Voor een ontwikkeld historisch en cultureel besef moet de chronologie van de geschiedenis tot uitgangspunt worden genomen, daarbinnen kan een oneindige variatie aan historische thema's aan de orde worden gesteld. Voorkomen moet worden dat nieuwe generaties scholieren alles leren over de Tweede Wereldoorlog in het kader van het thema `Oorlog en vrede' maar niet weten – zoals we onlangs bij een twaalfjarige gymnasium-brugpieper in spe moesten constateren – wanneer de Eerste Wereldoorlog zich afspeelde. Ons advies is: smeed het ijzer als het heet is en gebruik de gevoelige periode van de geheugenknobbel wanneer allerlei informatie moeiteloos opgenomen wordt. De `bump'-periode in een mensenleven is te belangrijk om ongebruikt voorbij te laten gaan.

Dr. Johannes J.F. Schroots is hoofdonderzoeker aan de Faculteit Psychologie en Pedagogiek van de Vrije Universiteit. Drs.Maarten G. Langemeijer is historicus.