`Schoolboek vaak niet goed over oorlog'

Hoe schrijven schoolboeken over de Tweede Wereldoorlog? Twee onderzoekers hebben hun bedenkingen. Nazi-termen worden soms klakkeloos overgenomen.

Opdracht uit een geschiedenisboek, bestemd voor leerlingen van de basisschool. Stel je voor dat het 1942 is. Over een uur wordt je getransporteerd naar doorgangskamp Westerbork. De Duitse officier heeft gezegd dat je een tas met spullen mee mag nemen. Bedenk wat je in die ene tas zou doen. Welke tien spullen neem je mee en leg uit waarom die tien?

Zo moet het dus niet, vindt onderwijssocioloog Theo van Praag. Zo'n dilemma laat zich niet vertalen in een lesopdracht. ,,De auteurs van deze lesmethode overschrijden de fatsoensnormen. Fijngevoeligheid is hen vreemd. Ik vraag me af wat ze zelf in hun tasje zouden doen.'' Toen Van Praag de auteurs met zijn kritiek confronteerde, reageerden ze verontwaardigd. Hij twijfelde toch niet aan hun goede bedoelingen?

Alle goede bedoelingen ten spijt, er valt het een en ander aan te merken op de schoolboeken. Samen met Han Homan deed Theo van Praag, verbonden aan de lerarenopleiding van de Hogeschool Rotterdam, onderzoek naar de tien meest gebruikte geschiedenismethodes in basis- en voortgezet onderwijs. In opdracht van het ministerie van VWS, verantwoordelijk voor jeugdvoorlichting, keken ze naar de wijze waarop de lesboeken omgaan met de Tweede Wereldoorlog, en hoe ze een relatie leggen tussen de oorlog en het heden. Sinds 1998 is die relatie een verplicht onderdeel in alle geschiedenisboeken en klaslokalen. De onderzoekers beoordeelden de lesmethodes onder meer op aandacht voor in de Grondwet vastgelegde grondrechten en voor een cultureel diverse samenleving.

Een onaangename verrassing, zegt Van Praag, was het soms klakkeloos overnemen van nazi-terminologie in de schoolboeken. Zo schrijft handboek deel 3 voor mavo/havo van Memo: ,,Niet alleen joden werden door de nazi's opgespoord en uitgeroeid: geestelijk gehandicapten, zigeuners en homoseksuelen was eenzelfde lot beschoren.'' Van Praag, die zijn kritiek terughoudend formuleert, noemt het letterlijk vertalen van het Duitse ausrotten (uitroeien) ,,een voorbeeld van ongewenste taalverruwing''. Iets subtieler, maar in strijd met artikel 1 van de Grondwet, is het onderscheid dat in teksten wordt gemaakt tussen joden enerzijds en `gewone mensen' anderzijds.

Van Praag: ,,In veel boeken worden stereotypen niet weerlegd. Ze nemen te weinig afstand van de nazi-propaganda. De auteurs lijken zich te weinig bewust van het effect van die propaganda, bijvoorbeeld in illustraties. Natuurlijk kun je als leraar wel een plaatje laten zien van de ewige Jude, maar vraag de leerlingen niet om vervolgens vijf kenmerken van joden te te noemen, want dat is wat ze onthouden. Over het algemeen worden joden in de schoolboeken omschreven als een uitgestorven diersoort. De rassenleer als verklaring voor vervolging wordt veel te weinig tegengesproken. Dat lijkt misschien betuttelend, maar bedenk dat leerlingen sinds het Studiehuis steeds meer zelfstandig moeten werken, zonder correctie door de docent.''

Een van de redenen om de geschiedenisboeken te onderzoeken, is de veranderende schoolpopulatie. Allochtone leerlingen hebben weinig affiniteit met de holocaust. Ze worden nergens aangesproken, ontdekten Homan en Van Praag. ,,Ze zouden zich meer moeten kunnen herkennen. Voeg positieve voorbeelden toe. Waarom horen Surinaamse leerlingen zelden iets over Anton de Kom?'' De aandacht voor de oorlog in Azië is minimaal. ,,Een gemiste kans. Allochtone leerlingen zijn verrast als ze horen dat blanke Nederlanders in kampen zijn gezet.''

Maar al te veel moet de nieuwe doelgoep ook weer niet worden bediend, meent Van Praag. ,,Marokkaanse jongens die bij de jodenvervolging meteen beginnen te roepen over Israël, moet je als leraar verwijzen naar maatschappijleer. Een al te makkelijke koppeling tussen heden en verleden is niet goed. De Tweede Wereldoorlog is ons ijkpunt van goed en kwaad, en daarmee een essentieel deel van onze nationale identiteit. Dat geldt net zo goed voor een Marokkaanse jongen die hier opgroeit.''

    • Mark Duursma