Politiek Servië heeft reden bang te zijn

De vermeende opdrachtgever van de moord op Zoran Djindjic meldde zich zondag bij de politie. De maffialeider kan menige toppoliticus in de gevangenis brengen.

Niet iedereen in Belgrado is blij met Milorad Lukovic, alias Legija, Servië's meestgezochte man, veronderstelde opdrachtgever voor de moord, op 12 maart vorig jaar, op premier Zoran Djindjic. Lukovic gaf zich zondagavond aan bij de politie. Prompt begon het in Belgrado te gonzen van de speculaties: waarom gaf Legija zich aan? Is misschien sprake van een deal met de openbare aanklagers in het moordproces-Djindjic? En vooral: doet Legija straks zijn mond open over al die politici en zakenlieden die boter op hun hoofd hebben, die betrokken waren bij de schimmige banden tussen de politiek en de maffia in het Servië van Miloševic en in het Servië ná Miloševic, het Servië van `de democraten'?

Als iemand weet welke politici wanneer welke rol hebben gespeeld, dan Milorad Lukovic, de man die zijn carrière als kruimeldief begon, die haar in het Franse Vreemdelingenlegioen voortzette, die leider werd van een speciale militie van de Servische geheime dienst en die uiteindelijk op straat kwam te staan toen Djindjic die militie ontbond. Daarna werd hij chef van de Bende van Zemun, een maffiaclan met nauwe banden met de politiek en het zakenleven.

De misdrijven uit het tijdperk-Miloševic vinden de Serviërs niet erg interessant meer. Het zijn daarom vooral politici van de DOS (Democratische Oppositie van Servië) die reden hebben bang te zijn voor wat Lukovic, met zijn kennis van het doen en laten van de geheime dienst, de zakenelite en de politiek, gaat zeggen.

De DOS kwam na oktober 2000 aan de macht, en bleef aan de macht tot eind 2003. Het zijn vooral de politici van Djindjic' Democratische Partij (DS) die bang moeten zijn voor Lukovic: de DS domineerde drie jaar lang de regering, nadat de Democratische Partij van Servië (DSS) van Vojislav Koštunica – premier nu – met de DS had gebroken. De regering van de DS was corrupt, en dat gold voor Djindjic, inmiddels dood, maar het gold ook – concludeert vandaag het nieuwsbulletin VIP – voor zijn directe medewerkers en voor de leiders van de kleine partijen in de DOS, met een politieke invloed die in geen verhouding stond tot hun geringe electorale aanhang, en voor de machtige zakenlieden die hun imperia bouwden op de invloed die ze bij de partijen kochten. Het is uiteindelijk de hele politieke en economische elite van Servië die reden heeft Lukovic te vrezen. En dat allemaal nog afgezien van de vragen die nog rond de moord op Djindjic hangen: liet Lukovic die – bang door de premier naar het Joegoslavië-tribunaal te worden gestuurd – de premier doodschieten? Of kwam de opdracht misschien uit de politieke hoek?

De zaak zal de komende maand een lange schaduw werpen over wat Servië al sinds weken volledig verlamt: de presidentsverkiezingen van 13 juni. In de peilingen leidt de ultranationalist Tomislav Nikolic. Gezien het `electorale reservoir' waarover hij beschikt kan hij de eerste ronde winnen, maar kan hij noch in de eerste noch in de tweede ronde een absolute meerderheid behalen. Kandidaten voor winst in die tweede ronde zijn de huidige leider van de DS, Boris Tadic, de opvolger van Djindjic als partijleider, en de kandidaat voor Koštunica's DSS, Dragan Maršicanin. Als de DS de komende maand door Lukovic wordt belast, zal dat de kandidatuur van Tadic schaden, ook als Tadic persoonlijk buiten schot blijft. Daarvan kan Maršicanin dus profiteren.

Aan de andere kant is de kleurloze Maršicanin niet populair. Hij kan ook niet profiteren van de prestaties van de door `zijn' DSS gedomineerde regering, want die prestaties zijn er simpelweg niet. Uiteindelijk zou zelfs de ultra Nikolic aan het langste eind kunnen trekken – als Tadic zwaar beschadigd raakt, maar Maršicanin daarvan niet genoeg profiteert. De presidentsverkiezingen waren vóór zondag al een nachtmerrie voor Servië. Sinds zondag is de nachtmerrie alleen maar erger geworden.

    • Peter Michielsen