Oorlog voor amateurs

Soldaat Harry Cohen kreeg in mei 1940 voor het eerst een machinegeweer in handen. `Gelukkig kwam er de hele dag niemand langs, anders waren er nog ongelukken gebeurd.'

Vóór 1940 dacht je in Nederland bij het woord `oorlog' vooral aan het buitenland of aan iets uit vroeger tijden. Oorlog was immers een stompzinnige bezigheid waaraan alleen andere landen zich nog van tijd tot tijd overgaven. Maar wij, wij waren niet zo. Al meer dan honderd jaar niet. Voor het meedoen aan dat barbaarse gedoe waren wij veel te verstandig.

Ook toen in september 1939 weer eens een oorlog tussen Duitsland en zijn westelijke buren uitbrak, zag het er niet naar uit dat wij daar iets mee te maken zouden krijgen. Onze neutraliteit zou wel weer gerespecteerd worden – als we maar duidelijk lieten zien dat niemand ons grondgebied ongestraft als uitvalsbasis kon gebruiken. Dus werd meteen de mobilisatie van het Nederlandse leger afgekondigd.

De compagnie Pioniers waartoe ik behoorde, werd gelegerd in de Utrechtse Kromhoutkazerne. Pioniers zijn opgeleid voor karweien als het bouwen van bruggen in oorlogstijd. Het is niet eenvoudig zulke specialisten dag in dag uit bezig te houden zolang er niets te bouwen valt. De volgende acht maanden ontaardden dan ook in een eindeloze opeenvolging van exerceren en marcheren.

Het was al een hele afwisseling als we eens een keertje echt op een wiebelende plank boven het water moesten balanceren of met springstoffen gingen oefenen. (,,Als je de knop van de ontsteking indrukt, sta je met je rug naar het apparaat. Als er iets misgaat, kun je beter een klap tegen je achterwerk krijgen dan tegen je voorwerk.'') 's Avonds volgden uren van grenzeloze verveling, want van `de stad ingaan' kwam niet veel. De soldij bedroeg één gulden en negen cent per week. Daar kon je toen best een pakje shag met vloeitjes van kopen, maar dan was het ook bijna op.

In de lente van 1940 werd de compagnie overgeplaatst naar Piershil, een dorpje op Oud-Beijerland, vlak onder Rotterdam. Aan oorlog in Nederland dachten we nog steeds niet echt, ook al kwamen er steeds vaker Duitse en geallieerde vliegtuigen over. We waren getuige van menig luchtgevecht en begin mei gebeurde het zelfs twee keer dat een Duits toestel een noodlanding moest maken op ons eiland. We arresteerden de bemanningen, sloten ze op in een schuur en spraken gewichtig van ,,onze geïnterneerden''.

Maar enkele dagen later was de lucht 's ochtends vroeg al helemaal vol vechtende machines en toen wisten we dat het zover was. Grote verwarring, ook bij onze commandant want die kreeg geen enkele instructie van het hoofdkwartier. Pas op de tweede dag kwam er een telegram dat hem formeel liet weten dat Nederland nu met die en die landen in oorlog was en dat ,,de compagnie voorshands voor haar eigen vleesvoorziening moest zorgen''. Ja, zo gaat dat in een land dat meer dan honderd jaar geen oorlog heeft meegemaakt.

De vijf oorlogsdagen waren één grote chaos. Een van onze eerste opdrachten was, de voortuintjes van een rijtje huizen te `ruimen', zodat daar geschut geplaatst kon worden. Het werd een orgie van plattrappen, uitrukken en omhakken, zoals je dat eigenlijk wel verwachten kunt van een troep jonge kerels die maandenlang strak gehouden zijn. Achter de ramen keken de bewoners ontzet toe.

De volgende dag werden we op patrouille gestuurd om Duitse parachutisten te vangen. Een eng karwei want als je in het vrije veld vanuit een vliegtuig beschoten werd, kon je nergens heen. Eenmaal zag ik een rijtje mitrailleurkogels vlak bij me de grond in slaan en raakte zo in paniek dat ik in een sloot sprong en zo lang mogelijk onder water bleef. In films ziet zoiets er soms heel komisch uit, maar in het echt is het allesbehalve leuk. We hebben overigens niet één parachutist te pakken gekregen, maar troostten elkaar met de gedachte dat die geïnterneerden van de afgelopen dagen eigenlijk onze eerste krijgsgevangenen waren.

Op de derde dag kwam er een inspecteur van de artillerie die de grond van die geplette voortuintjes te zacht bevond om er geschut op te plaatsen. Maar we bleven niet zonder werk. Alle gedropte parachutisten waren immers nog op vrije voeten en dus moest onze legerplaats in staat van verdediging worden gebracht. In het kader van deze nieuwe operatie moest ik tegen de helling van een dijkje gaan liggen, met een machinegeweer. Ik had nog nooit zo'n ding van dichtbij gezien, maar een sergeant legde uit hoe het moest: ,,Je haalt dit palletje over en kijkt door dat ringetje, en dan maar richten en schieten.'' Gelukkig kwam er de hele dag niemand langs, anders waren er nog ongelukken gebeurd.

De laatste dag kwam er weer een ander bevel. Ik moest op de kerktoren van Piershil op de uitkijk gaan staan. Je had daar een ruim uitzicht over Rotterdam. Zo heb ik het hele bombardement van begin tot eind gezien, uiteraard zonder me te realiseren dat daar een hele stad naar de bliksem ging. Dat besef kwam pas de volgende dag, toen de wapenstilstand al een feit was. Een van de jongens was het gelukt, een auto te bemachtigen en met z'n vijven trokken we de stad in. Je kon stráten ver kijken. Het plaveisel was berijdbaar, maar aan weerszijden brandde het nog flink. Een beeld zoals je dat tegenwoordig geregeld op de televisie ziet.