Ontwikkelingshulp biedt uitzicht en hoop

Met zijn pleidooi om de hulp aan Afrika te stoppen, plaatst Arend Jan Boekestijn zich buiten de werkelijkheid (Opiniepagina, 21 april). Europa is geen eiland en is dus genoodzaakt om zich, desnoods tegen wil en dank, het lot van Afrika aan te trekken, meent Paul Hoebink.

Al zo'n tien jaar klinken in Nederland pleidooien om de ontwikkelingshulp sterk te verminderen of zelfs stop te zetten. Al deze pleidooien hebben een aantal zaken gemeen: ze geven een eenzijdig beeld van de ontwikkelingssamenwerking en van de resultaten van de ontwikkelingshulp; ze simplificeren enerzijds de wegen waarlangs landen economische groei bewerkstelligen en anderzijds de achtergronden van de situatie in Afrika; en ten slotte blijkt kennis van de uitgebreide literatuur over de effectiviteit van ontwikkelingshulp gering.

De complexiteit van de ontwikkelingssamenwerking blijkt al uit het feit dat donorlanden allemaal hun eigen historie en belangen in hun ontwikkelingsprogramma's meenemen. Ontwikkelingshulp werd en wordt niet in de eerste plaats gegeven, omdat we `Afrika willen ontwikkelen', zoals Boekestijn en anderen (Bolkestein, Jansen, Emmer, Hirsi Ali) en met hen een hele serie economen impliciet aannemen. Omvang en richting van de hulp van de VS bijvoorbeeld worden voor het grootste deel bepaald door veiligheidsoverwegingen, gecombineerd met commerciële belangen.

De Japanse hulp is, zeker nu Japan in een recessie zit, sterk mercantilistisch van aard en gericht op de eigen regio. De Franse hulp heeft altijd een bijdrage moeten leveren aan de imperiale status van Frankrijk, maar tegelijk ook aan de Franse handelsbelangen (olie: ELF, leveranties en bouwopdrachten). Zelfs de Nederlandse hulp werd een tijdlang gedomineerd door onze exportbelangen.

Als wordt gesteld dat de ontwikkelingshulp aan Afrika mislukt is, en men kijkt daarbij naar de economische en sociale gegevens, dan zou men op de eerste plaats moeten stellen dat een groot deel van die hulp daarvoor ook nooit bedoeld was. Die correctie is ook nodig als het gaat om het beeld dat Afrika ten zuiden van de Sahara de meeste hulp ontvangt en dat succesvolle groeiers elders in de wereld eigenlijk nooit hulp hebben ontvangen. Niet Sub-Sahara Afrika krijgt de meeste hulp maar Azië. China staat al jaren bovenaan de lijst als het land dat het meeste hulp ontvangt, direct gevolgd door India en Indonesië.

Om met Boekestijn te spreken: in een regio die `beter presteerde' heeft een aantal landen (Taiwan, Zuid-Korea, Indonesië, Thailand) hun economische groei, soms zelfs in sterke mate, aan ontwikkelingshulp te danken. Feitelijk zou dat moeten betekenen dat we het voorbeeld van de Amerikaanse hulp aan Zuid-Korea en Taiwan in de jaren '50 en '60 als een goed voorbeeld van `hulp helpt' moeten overnemen en dat ook op Afrika proberen toe te passen.

Pleitbezorgers van minder of zelfs helemaal geen hulp meer hebben een nogal verward idee over wat hulp vermag. Zij wijzen op Afrika: veel hulp en toch honger, stagnatie, zelfs achteruitgang. Anderen hangen de illusie aan dat ontwikkelingshulp oorlogen kan tegenhouden, economieën kan ontwikkelen, een einde kan maken aan sociale ellende. Daarmee hebben zij een veel hoger verwachtingspatroon van ontwikkelingshulp dan de voorstanders ervan. Ze geloven dat ontwikkelingshulp een soort drank is, waarmee je mensen, politici en maatschappijen in ontwikkelingslanden kunt veranderen. De werkelijkheid is echter dat ontwikkelingshulp nooit meer dan een katalysator kan zijn: door een weg aan te leggen, kunnen producten beter aan de man worden gebracht; door mensen te trainen en op te leiden, kun je een organisatie beter laten functioneren. Maar in al die gevallen is het een complex samenspel van binnen- en buitenlandse krachten dat het uiteindelijke succes van de interventie bepaalt.

Waarom is hulp minder succesvol in Afrika? Er zijn gegevens dat economische en sociale vooruitgang geboekt is in die landen in Afrika die niet in burgeroorlogen verwikkeld waren (oorlogen vernietigen in korte tijd ieder beetje vooruitgang dat over jaren geboekt is). Toch blijft achter die goede cijfers het beeld wisselend, is het niet zwart of wit, maar complex en veelkleurig.

Het is belangrijk om vast te stellen dat de landen van Sub-Sahara Afrika vanuit een veel lager ontwikkelingsniveau hebben moeten starten dan andere ontwikkelingslanden. Meer dan andere ontwikkelingslanden zijn de Afrikaanse landen grondstoffenexporteurs die de ruige wind van de wereldeconomie als eerste voelen. De stappen vooruit blijken alleen daarom al veel langzamer te gaan. Voorts heeft het kolonialisme nergens een negatievere bijdrage geleverd aan ontwikkeling en vooruitgang dan in Afrika. Het kolonialisme heeft dit continent, onder meer door de slavenhandel, eeuwen teruggezet. De koloniale erfenis heeft daarenboven kunstmatige staten gecreëerd, met willekeurige strepen als grenzen over de landkaart, die geenszins een eenheid waren. In deze kunstmatige staten is, met een enkele uitzondering, de strijd om de macht gebaseerd op etnische gronden altijd heftig geweest.

Natuurlijk kunnen Afrikaanse leiders dertig, veertig jaar na de onafhankelijkheid niet blijven wijzen op dat koloniale verleden, maar natievorming kost soms zelfs eeuwen en eist meestal, zie ook Europa, een hoge tol.

Natuurlijk kan ontwikkelingshulp, als het op zijn best een katalysator is, in deze context niet altijd effectief zijn. Daar duiden de verschillende publicaties over hulp aan Afrika ook op. Maar dat beeld is wel genuanceerder dan Boekestijn suggereert. Zo haalt hij ter bewijsvoering – met foute naamgeving – een paper van Wereldbankeconomen aan en hij weet blijkbaar niet dat het werk van Burnside, Dollar en Collier in de internationale vakpers al lang in de prullenbak is gegooid. Hij vermeldt niet dat het overgrote deel van dit soort econometrische studies, voor wat ze waard zijn, aangeven dat er een duidelijk verband is tussen het ontvangen van hulp en investeringen en groei. Daarmee zeggen deze studies dat hulp effectief is voor het stimuleren van economische groei. Boekestijn stelt dat er `hele boekenkasten' vol met rapporten staan waarin wordt beweerd dat ,,ontwikkelingshulp zeer succesvol is in het vertragen van economische hervormingen en daardoor groei''. Ik daag hem uit om mij er één te noemen waarin dit wordt aangetoond. Ik ken er geen één en ik houd mijn vakliteratuur toch redelijk bij.

De vele pleitbezorgers van minder hulp of van het stopzetten van hulp hebben geen kennis van de grote hoeveelheid literatuur die over de effectiviteit van hulp gaan. Bestudering daarvan zou maanden vergen engeen eenduidig beeld opleveren op grond waarvan stevige uitspraken zoals `stop de hulp' kunnen worden gedaan.

Toegegeven, in de Afrikaanse context zal een deel van de ontwikkelingshulp slechts noodhulp kunnen zijn, slechts mensen helpen om te overleven en dat levert uit het oogpunt van effectiviteit alleen daarom al een zeer gemengd beeld op. Boekestijn wordt dan wel uitermate cynisch en hardvochtig als hij stelt dat vermindering van de hulp Afrika in een diepe crisis zal storten, maar dat die crisis nu eenmaal nodig is om verandering te bewerkstellingen. Maar als de recessie in Afrika zich verdiept, zal de stroom migranten groeien. Wij zitten anno 2004 niet meer op een welvaartseiland dat onbereikbaar is. Mensen blijken bereid om dagen door de woestijn te trekken om uiteindelijk in het noorden van Marokko op 14 kilometer van Europa te komen. Niet dat ontwikkelingshulp die migratiestromen ten volle kan tegenhouden, maar ze geeft wel hoop, hoop op verandering en vooruitgang.

Paul Hoebink is verbonden aan het Centre for International Development Issues Nijmegen van de Katholieke Universiteit Nijmegen.

    • Paul Hoebink