Media moeten geen eigen wereld scheppen

De persvrijheid gaat niet verloren onder druk van externe bedreiging, maar door gebrek aan interne kracht; niet door gebrek aan vrijheid maar door te veel, meent P.H. Donner.

Persvrijheid is niet absoluut. Het is niet zo dat de rechten van burgers, het functioneren van de overheid en het algemeen belang ondergeschikt zijn aan en moeten wijken voor het belang van de pers bij toegang tot bronnen, en bij vrijheid om te zeggen of te schrijven wat men meent. Integendeel; we koesteren een vrije pers omdat deze bijdraagt aan de vrijheid van burgers, aan een doeltreffend en democratisch functioneren van de overheid en aan het algemeen belang.

Vandaar ook dat de enkele vaststelling dat er spanning is tussen persvrijheid en andere rechten, op zich zelf niets zegt. Die spanning is inherent aan het bestaan van beperkingen op de vrijheid. Interessant is pas op welke wijze met spanning wordt omgegaan, en dat laat zich slechts zinvol beoordelen in het licht van de betekenis en functie van de persvrijheid in de huidige samenleving. Die zijn niet absoluut maar veranderen met de tijd en de behoeften van de samenleving.

Zo hangt de opkomst van de geschreven pers in de 17de eeuw samen met de groeiende behoefte aan informatie en nieuws over wat buiten het eigen gezichtsveld lag maar wel op de eigen leefwereld van invloed kon zijn. In de zich ontwikkelende nationale samenlevingen zijn daaruit in de loop van de tijd andere functies ontstaan; zoals waakhond van de democratie, medium van maatschappelijke communicatie, platform om samenhang en perspectief te brengen in een steeds veelzijdiger en ingewikkelder werkelijkheid.

De vrije pers heeft een zelfstandiger betekenis, maar die relatie onderstreept wel de betekenis van de pers als element van de communicatie en meningsvorming in de samenleving. Element, want de media hebben daarbij nooit een exclusieve functie. Hun betekenis verandert met de beschikbaarheid van andere mogelijkheden. De discrepantie in snelheid en betrouwbaarheid tussen de pers en andere mogelijkheden kan zelfs bron van fortuin zijn.

Zo in het geval van de Engelse Rothschildts die aandelen opkochten toen de Londense beurs kelderde als gevolg van berichten in de pers dat Wellington de slag bij Waterloo had verloren; zelf kenden zij via een postduif de werkelijke afloop. In hun ijver de concurrentie de loef af te steken hadden de journalisten die afloop maar niet afgewacht, doch deze op basis van Wellingtons penibele situatie in de loop van de middag zelf alvast voorspeld.

Het verhaal illustreert dat vaak niet feiten maar wat daarover wordt bericht, als werkelijkheid worden gezien. Harde feiten achterhalen de gedrukte onwaarheden op den duur nog wel, hoewel het te laat kan zijn. Bij zachte feiten — reputaties, meningen, beelden, de toonzetting van feiten — is dat minder het geval. Dan schept berichtgeving een eigen wereld die de echte kan verdringen en zo reputaties kan maken of breken, levens kapot kan maken, mensen kan verhogen of ten val brengen, de maatschappelijke ontwikkeling kan bepalen en bron kan zijn van onrust en oorlog.

Gegeven die `macht' is het enige wat de bijzondere plaats van de pers en van de persvrijheid rechtvaardigt, de betrouwbaarheid en integriteit van de pers. Betrouwbaarheid niet alleen van de feiten, maar ook van de echtheid van de beschreven werkelijkheid. Integriteit, niet alleen ten aanzien van verborgen belangen maar ook met betrekking tot het referentiekader waarin oordelen en analyses geplaatst moeten worden.

Het minste is nog de verbazing waarmee ik vaak het relaas lees van feiten waar ikzelf bij was. Symptomatisch is dat mijn betogen in de Kamer, als zij worden afgedrukt, op de opiniepagina staan, terwijl wat de verslaggever ervan vindt als nieuws op de voorpagina staat. Ik ben niet verongelijkt, ik vind de opiniepaginie een groot goed. Maar het doet wel de vraag rijzen wat het nieuws is en wat de mening.

Een toenemend deel van het werk van de overheid bestaat in het rechtzetten van wat verslaggevers eerder uit hun verband hebben gerukt; in het uitleggen waar de klepel hangt bij krantenberichten die de klok hebben horen luiden; of zelfs in het weerspreken van berichten waarvan de schrijver werd gewaarschuwd dat zij op onwaarheid berusten, maar die te mooi waren om niet te drukken. Niet alleen Kamerleden, maar ook anderen zijn veelal op die berichten afgegaan.

Als zij vervolgens handelen op basis van verkeerde berichten in de pers, kan dat tot maatschappelijke schade leiden. Daarbij gaat het niet alleen om schade in geld, maar vooral ook om schade door achterdocht, door onnodige geschillen en door toenemende tegenstellingen in de samenleving, waardoor de solidariteit verzwakt, angst en onzekerheid groeien, en sturing door de overheid steeds moeilijker wordt.

Ik besef: emotie, ruzie, schrille verhalen over de gevaren van criminaliteit en terrorisme, en het voortdurend aan de kaak stellen van het onvermogen van overheden – het verkoopt zo lekker en het gaat erin als koek. Maar kunnen we het ons nog permitteren?

Er zijn kranten en media die zich trachten te onttrekken aan de bedoelde tendensen en die kwaliteit hoog willen houden. Maar bij een moordende concurrentie wordt dat al gauw een achterhoedegevecht. Gevolg is echter dat de basis voor de persvrijheid steeds verder erodeert. De pers mag een waakhond van de democratie zijn, maar een waakhond die te vaak loos alarm geeft heeft geen functie. Een informatiekanaal dat de informatie vertekent en vervormt, heeft geen nut. Bij iedere andere tak van bedrijvigheid waar de producten zo belangrijk zijn voor de samenleving en het gevaar van verlies van kwaliteit zo groot, zou de wetgever allang hebben ingegrepen. Persvrijheid verzet zich daartegen. Maar daarmee valt die taak toe aan de pers zelf, gegeven de potentiële gevaren en maatschappelijke schade van media die zich als politieke factor gedragen zonder navenante verantwoording af te leggen.

De vorige keer dat ik de pers op de eigen verantwoordelijkheid wees, werd dat in alle kranten vertaald met het bericht dat ik tegen parodie zou zijn. Kennelijk ziet u het zelf zo, maar het nieuws in Nederland is nog geen parodie; voorkomen moet worden dat het dat wordt. Dat is gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar primair die van de pers. Alleen dan behouden we een maatschappelijk fundament voor persvrijheid. Die gaat niet verloren onder druk van externe bedreiging, maar door gebrek aan interne kracht en weerstand; niet door gebrek aan vrijheid, maar door te veel.

Mr. P.H. Donner is minister van Justitie. Deze tekst is een ingekorte en bewerkte versie van de toespraak die hij gisteren in Amsterdam hield tijdens een congres over persvrijheid. De volledige tekst is na te lezen via www.nrc.nl