Loes

Voor de turner heb ik geen compassie. Als ik zo'n spierbundel een halve minuut lang met horizontaal gestrekte armen tussen de ringen zie hangen, denk ik: nou, die komt er wel. De bobbel in de broek verraadt bovendien een mannelijke weerbaarheid. De turnstertjes daarentegen zou ik liefst een turnverbod op willen leggen. Of ik zou met een dekentje en een lapjespop langs het turntoestel gereed willen staan om hen op te vangen. En hen vervolgens op een taxi zetten met deze opdracht aan de chauffeur: linea recta ouderlijke woning.

Het camerabeeld vertekent. Je ziet een toestel en je ziet een meisje. Ze doet ongelooflijk knappe dingen met haar lichaam. Dan is ze klaar. In het volgende shot ontfermt een trainer zich over haar. De man is drie koppen groter en twee keer zo breed. In het contrast wordt de breekbaarheid opeens onthuld. Het meisje trekt het turnpakje uit de bilnaad.

Heel erg jonge meisjes dromen van een gracieuze toekomst, is me verteld. Een meerderheid ziet zichzelf al als balletdanseres over de planken dartelen. Turnen staat ook hoog in de dromen topvijf. Net als `mensen helpen'. De aspirant-ballerina en -turnster leert gewoonlijk op vijfjarige leeftijd wat het betekent urenlang in een naar zweetvoeten riekende ruimte te opereren. Volwassen mensen (trainers, coaches) helpen de aspirante op speelse wijze ervan doordrongen te raken dat zonder kadaverdiscipline een gracieuze toekomst uitgesloten is.

De tijd dat de staat (zie: DDR) besloot dat voor dit of dat individu een gracieuze toekomst wenselijk was, en dat voor het individu een groeiverbod van kracht was (hormoonbehandeling) teneinde in naam van de staat turngoud te genereren, ligt goddank achter ons. Op het EK turnen in Amsterdam zagen we uitsluitend vrije meisjes die kadaverdiscipline tot deugd hebben verheven.

Het is zaterdagavond, ik zap door naar een sportprogramma. Op de evenwichtsbalk – het martelwerktuig der martelwerktuigen – staat Loes Linders. Ik blijf hangen bij Loes. Ofschoon ze er zeer fragiel uitziet voel ik niet de behoefte haar op een taxi naar huis te zetten. In een interview met haar had ik interessante dingen gelezen.

Op haar zesde meldde haar moeder haar aan bij de plaatselijke gym in Uden. Spoedig ging ze naar het Nijmeegse De Hazenkamp. Een misser. `Het was me allemaal te streng. Ik wilde eigenlijk niet meer trainen want ik vond het niet leuk meer.' Bij turnvereniging Patrick in het Limburgse Echt kreeg ze weer plezier in turnen. `Drie jaar lang reed mijn moeder dagelijks van Uden naar Echt. Vijf kwartier heen en vijf kwartier terug.' Toen nam ze de beslissing om voor de top te gaan en verhuisde naar Heerenveen, waar het `ook streng is, hoor'.

Dus Loes staat op die balk in Amsterdam. Om precies te zijn, ze staat op het uiterste puntje van die balk. Ik kijk nog of ik het juweeltje dat haar vader, een orthodontist, met beugellijm op haar tanden heeft bevestigd kan zien, maar dan doet ze een stap naar achteren. Daar heerst het luchtledige.