Het Beeld

Het is de maand, nee de week, de dag van het jaar om naar verhalen over de oorlog te luisteren. De meeste zijn al wel vaker verteld, maar net even anders. En er komen steeds nieuwe mensen bij, kinderen of andere nieuwe Nederlanders, die ze nog niet kennen.

Het nadeel van de congestie van het herdenken in de eerste week van mei is dat overdaad schaadt, zeker wanneer er plechtig wordt gedaan. De Ierse Teleac-uitzending over de mechanismen van genocide, geïllustreerd door de holocaust, was met z'n synthesizermuziek te veel van het goede, pal na de eerste aflevering van Willy Lindwers tweeluik Holland, vaarwel! (NCRV) over de Nederlandse betrokkenheid c.q. passiviteit bij de jodenvervolging.

Na de publiciteit vooraf viel Lindwers film me een beetje tegen. Dat komt vooral door de zwaarte van de aanwezigheid van de maker, die in een trein de reis van zijn familie van kamp Westerbork naar de Duitse grens bij Nieuweschans overdoet, en onder onheilspellende muziek naar buiten kijkt. In tegenstelling tot wat ik eerder begrepen had, is Lindwer pas in 1946 geboren, `een bevrijdingskind'. Een oom en een tante, die net als de rest van zijn familie in Varsseveld waren ondergedoken, werden verraden en kwamen om. De boer die joden verborg werd tienduizend gulden afgeperst door een buurman.

Beter dan de dramatische tegenstelling tussen de goede Varssevelders en de slechte Groningers van politie en spoorwegen, werkte voor mij het geheugen van de man, die als jongen langs de spoorlijn woonde en uit de trein gegooide briefjes had verzameld. Hij wist nog precies wat er aan de binnenkant van een wit sigarettendoosje stond: ,,Lieve vrienden, wij zijn op transport. Groet de buurtjes en tante Koos, tot spoedig weerziens.'' Alleen al het alsnog overbrengen van die groet geeft de film zin.

De mooiste oorlogsverhalen kwamen voor in Hans Polaks documentaire Verborgen bij Vermeulen (VARA). In een niet al te grote wasserij in Amsterdam-West zaten negentien joden ondergedoken. Velen leven nog en vertellen het na, in bloemrijk Amsterdams. De gastfamilie Vermeulen liep veel risico, maar deed het vooral om het geld: elke week vijfenveertig gulden `opbergloon' per onderduiker. Ze werden geholpen door mijnheer Benner, die deed het niet om het geld, maar `voor de christelijk'. Benner restaureerde piano's, en leerde de onderduikers van het overgebleven hout fineerwerkjes te maken, van de Westertoren. Op zondag verkocht hij die in de kerk, `voor de joodjes', en dan konden ze Vermeulen weer betalen.

De jongste zoon, Pim Vermeulen, was een kwajongen met een grote mond. Hij zou eens op straat geroepen hebben dat hij het verdomde nog langer boodschappen te doen voor die joden. De hele buurt wist ervan, zelfs de `goeie NSB'ers'. Sinds 1954 zit Pim in Australië, waar Polak hem opzocht. Hij denkt desgevraagd dat zijn vader geen miljonair is geworden van de onderduik. Aan de wand hangt een fineerwerkje van de Westertoren. Hij wijst er weemoedig naar: ,,Dat heeft mijn vader nog gemaakt, in 1945 of 1946.''