Nieuwe lidstaten van EU verschillen meer dan men denkt

Na de toetreding van Oost-Europese landen tot de Europese Unie is het tijd Midden-Europa anders te organiseren, meent Jirí Pehe.

Uit het gezichtspunt van de oude lidstaten van de Europese Unie lijken de acht postcommunistische landen die – samen met Cyprus en Malta – op 1mei EU-lid zijn geworden, het over de meeste hoofdthema's met elkaar eens te zijn. Sinds het Amerikaanse ingrijpen in Irak zien veel West-Europeanen de nieuwe EU-leden uit het oosten van Europa zelfs als een soort blok.

De scheiding van Europa in `nieuw' en `oud' door de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld was vooral een slimme list, waarmee de regering-Bush haar zin kreeg door gebruik te maken van de oude `verdeel en heers'-strategie. Maar ook al kwamen daardoor wezenlijke verschillen aan het licht tussen de gevestigde EU-leden en de nieuwelingen, tegelijk werd ook de valse indruk versterkt dat de nieuwe EU-leden een vergelijkbare identiteit en politieke agenda hebben. Rumsfelds opmerkingen zaaiden verdeeldheid, omdat West-Europa zelfs nog minder van de oostelijke helft van Europa lijkt te weten dan de Amerikanen.

In werkelijkheid bestaan er grote verschillen tussen de nieuwe EU-leden. Zelfs inzake Irak was er weinig eensgezindheid. Terwijl sommige landen – bijvoorbeeld Polen – pal achter de Amerikaanse oorlogsinspanning stonden, probeerden andere een evenwicht te zoeken tussen hun steun aan de VS en hun `begrip' voor de opvattingen van Duitsland en Frankrijk. Weer andere – Slovenië bijvoorbeeld – stonden aan de kant van het `oude Europa'.

Los van de politiek zijn er grote verschillen tussen de economieën van de nieuwe leden, niet alleen in welvaart maar ook in hun structuur. Geïndustrialiseerde en verstedelijkte landen met een vrij kleine landbouwsector als de Tsjechische Republiek, Slovenië of Slowakije hebben andere zorgen dan Polen, waar de boeren 20 procent van de bevolking vormen.

Ook historische tradities spelen een rol. Weliswaar beweren alle nieuwe lidstaten dat ze `westers' zijn, maar sommige zijn westerser dan andere. De Tsjechische Republiek, Slowakije, Hongarije, Slovenië en delen van Polen hebben een gezamenlijke erfenis: Mitteleuropa, gevormd tijdens het Habsburgse Rijk. Bovendien was het communisme in die landen anders dan in de drie Baltische staten, die deel uitmaakten van de Sovjet-Unie.

Begin jaren '90, na de val van het communisme, lagen de gedeelde ervaringen en de gezamenlijke erfenis van Tsjecho-Slowakije, Hongarije en Polen ten grondslag aan de vorming van de groep van de zogeheten Visegrad-landen, bedoeld ter coördinatie van de pogingen van deze drie landen om lid van de Europese Unie en de NAVO te worden. Het initiatief van Visegrad was tot op zekere hoogte effectief, al werd het tijdelijk lamgelegd toen ruim tien jaar geleden Tsjecho-Slowakije uiteenviel.

Hoewel de leiders van Polen, Hongarije, de Tsjechische Republiek en Slowakije onlangs hebben verklaard dat ze de Visegrad-groep ook na de toetreding van hun landen tot de EU in stand willen houden, is de toekomst van die samenwerking onzeker. Het lot van de Visegrad-groep is misschien zelfs wel het beste voorbeeld van de herindividualisering van de nieuwe lidstaten nu het lidmaatschap van de EU en de NAVO is veiliggesteld.

Zoals uit het standpunt over de EU-grondwet bleek, streeft Polen in een verenigd Europa zijn eigen specifieke belangen na, die wel eens moeilijk te verenigen zouden kunnen zijn met de belangen van kleinere Midden-Europese landen. Eenmaal binnen de Europese Unie zal Polen nog meer de vrije hand hebben, ongehinderd door de noodzaak om de aspiraties van andere Oost-Europese landen te steunen.

Sommige voorstanders van een nauwere Visegrad-samenwerking hebben kritiek op de nieuwe Poolse strategie, terwijl de eurosceptici in de Tsjechische Republiek, Hongarije en Slowakije voor de Polen applaudisseren.

Zo omschrijft de Tsjechische burgerlijk-democratische partij, sterk beïnvloed door de Tsjechische president Václav Klaus, Polen als de voornaamste bondgenoot van de Tsjechische Republiek en als een voorbeeld van de wijze waarop nieuwe leden de Europese Unie zouden moeten benaderen.

De toestand zou nog ingewikkelder kunnen worden, omdat sommige leiders in de Tsjechische Republiek, Hongarije en Slowakije zich graag bij de `harde kern' van de Europese integratie zouden voegen als een aantal Europese landen op een gegeven moment besluit om tot een `Europa van twee snelheden' te komen. Als deze landen meedoen met de harde kern van de Europese integratie en andere, met name Polen, besluiten om daarbuiten te blijven, zou dat tot een scheidslijn tussen hen leiden en het einde betekenen van de samenwerking van Visegrad.

Wat er ook gebeurt, Europa moet zich onttrekken aan de clichés over een `oud' versus een `nieuw' Europa. Polen zal misschien ontdekken dat het veiligheid en andere belangen deelt met een aantal landen van vergelijkbare grootte in de huidige EU. De drie Baltische staten zullen hoogstwaarschijnlijk veel nauwer samenwerken met de Scandinavische landen dan met de andere nieuwe leden.

Het wordt ook tijd om te gaan nadenken over een nieuwe manier om Midden-Europa te organiseren. Voor de Tsjechische Republiek, Hongarije en Slowakije is een nauwe samenwerking met Polen misschien wel niet de beste manier om hun belangen in de EU te beschermen, aangezien hun belangen en de belangen van een groot, zelfverzekerd Polen wellicht niet identiek zijn.

Het zou voor de Tsjechische Republiek, Hongarije en Slowakije wel eens natuurlijker kunnen zijn om te streven naar nauwere regionale samenwerking met Oostenrijk en Slovenië, waarvan de contouren al te zien zijn in een aantal bestaande regionale groeperingen. Zo'n regionale groep zou verbonden worden door een lange gezamenlijke geschiedenis en gelijklopende belangen. Dit zou veel doeltreffender en duurzamer zijn dan het initiatief van Visegrad, dat drie kleine landen op één hoop veegt met een land dat meer inwoners heeft dan zijn drie partners bij elkaar, en ook nog eens zijn eigen agenda heeft.

Jirí Pehe is voormalig politiek adviseur van de Tsjechische president Václav Havel en is nu als politiek analist verbonden aan de New York University in Praag.