Niets klopt

Dat Anne Frank toch geloofde in de goedheid van de mens, schoot me ineens weer te binnen. Het staat op de Anne Frank-school in Amsterdam groot op de gevel, in haar handschrift: ,,omdat ik nog steeds aan de innerlijke goedheid van den mens geloof.''

Hoe kwam ze daar toch bij? En hoe hield ze dat vol, dat geloof? In haar naaste omgeving zag ze veel benepenheid en kleinheid, ook aardigheid natuurlijk en onbaatzuchtigheid. Maar in de wereld in het groot zag ze `een woestijn' en ze schreef over ,,aanrollende donder, die ook ons zal doden''. Haar hardnekkige geloof in het uiteindelijk goede, dat zij in de natuur, in God, in de aanschouwing van de ruimte, het licht, de lucht situeerde, en in deze beroemde passage ook in de mens, had ze nodig om zich op de been te houden. En dat deed ze ook.

Toen ik deze passage wilde opzoeken bleef ik weer uren in haar dagboek lezen, voor de zoveelste keer getroffen door haar enorme geestkracht, haar eerlijkheid, haar vrijwel onfeilbare stilistische inzicht (in de wetenschappelijke editie van haar dagboeken die in 1986 verscheen, kun je precies zien wat ze verbeterde, wegliet, verplaatste), haar razendsnelle innerlijke groei.

Maar die goedheid van de mens, daar geloof ik eigenlijk helemaal niet in. In de slechtheid van de mens ook niet trouwens. Wat betekent het eigenlijk? Wie is `de mens', die zo goed is of slecht is? Al zouden de onlangs gepubliceerde foto's van schaterende Amerikanen die gevangen Irakezen vernederen, je wel weer doen gaan geloven in de innerlijke slechtheid. Ze leken bovendien sprekend op al die andere foto's uit al die andere oorlogen: lachende Franse militairen die een naakt Algerijns meisje tussen zich in houden, lachende Duitsers die joden hun baard afknippen, joelende Palestijnen die een Israëlische soldaat lynchen.

En er zijn niet eens oorlogssituaties voor nodig, gewoon de mensen een beetje macht geven over hun medemensen is genoeg. Dan beginnen ze met willekeurige regels op te leggen en als de macht toeneemt, gaan ze anderen slaan, vernederen, ophangen, martelen, bespotten. Verklaar een groep vogelvrij en een andere groep staat gereed om de vogelvrijen uit te roeien. Pas nog in Rwanda, pas nog in Bosnië en Kosovo.

Wat dachten we dán dat die Amerikanen in Irak deden? Samen volksdansen? Iedereen die de beelden heeft gezien van de manier waarop huizen overvallen werden, wist al wel zeker dat de meegevoerde mannen iets vreselijks te wachten stond. Vermoedelijk is de enige manier om zo'n soldatenleven vol te houden een soort groepshardheid die men in elkaar aanwakkert en versterkt, en het kwellen van individuele tegenstanders is daar de uiterste vorm van. De meest weerzinwekkende vorm.

Intussen zitten die Amerikaanse soldaten daar maar en worden ze beschoten en gedood, zoals de Irakezen ook overweldigd zijn door de geschiedenis. Net als veel van de nieuwe Europeanen, de Polen, de Tsjechen, de Balten, allemaal in omstandigheden geleefd waarin de `innerlijke goedheid' van de mens niet het gemakkelijkst tot bloei kon komen.

Wij ondervinden daar niets van. Wij leven in vrede. Wij zouden de beste mensen ter wereld moeten zijn, want door geen enkele omstandigheid in het nauw gedreven. Maar zo is het niet, natuurlijk niet, vrede is een woord, de dagen met al hun kleine en grote belangwekkendheden zijn de realiteit. Daar reageren we op. Goed of slecht.

In M van afgelopen zaterdag schreef Ellen de Bruin over de Amerikaanse psycholoog Tim Wilson die beroemd is geworden met zijn stelling: ,,Mensen weten niet waarom ze iets doen.'' Dat vond ik nu wél meteen een ware uitspraak. Mensen hebben geen idee. Ze doen van alles en achteraf verzinnen ze een mooi verhaal waarin alles klopt. Heb ik mezelf ook wel horen doen. Maar niets klopt. Precies waarom al die psychopraat (,,ik ben iemand die...dat komt, denk ik, doordat...) zo ontzaglijk stomvervelend is. Er wordt niets waars mee gezegd, er wordt alleen maar een zoveelste poging gedaan om de wereld van een fraaie ordening te voorzien.

Las het onlangs uitgekomen boek De natuurlijke historie van de verwoesting van de altijd interessante schrijver W.G. Sebald. Het boek gaat over het gebrek aan literaire reactie op de verwoesting van de Duitse steden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er hebben zich afgrijselijke tonelen afgespeeld in de brandende steden, mensen zijn daar voor hun leven door getekend. Heel Duitsland was een grote puinhoop van stinkende ruïnes en verwilderde holbewoners – maar er werd, volgens Sebald, al spoedig na de oorlog gedaan alsof dat alles geen rol speelde, alsof het enige belangrijke de wederopbouw was, de verwoesting als het ware een kans om opnieuw te beginnen. Hij vraagt zich ook af hoe de verbrandingstactiek van de Engelsen zo veel steun kon krijgen. Hoe was het mogelijk dat men tot op het hoogste niveau instemde met bombardementen die niet gericht waren op strategische doelen en die angstaanjagend veel burgerslachtoffers maakten. Hij schrijft mooie passages over het mechanisme van de oorlog, hoe slachtoffers geen middel tot, maar het doel op zichzelf zijn.

Niets in zijn boek is klagerig of eist een nieuw, Duits slachtofferschap op, hij is alleen maar diep verwonderd over het ontbreken van een reactie, een weerslag, een beschrijving, een duidelijke plaats van en voor de gebeurtenissen die een heel ontwikkeld land veranderden in een prebeschaafde wereld.

Misschien was het hier dusdanig onmogelijk om een samenhangend, ordelijk verhaal te maken, dat de hele gebeurtenis als het ware uitgewist is. Hoewel je erg ellendig wordt van het weinige dat hij wel schrijft of citeert over deze door de meeste mensen die het meemaakten als `onbeschrijflijk' gekarakteriseerde gebeurtenissen, zeggen ze toch niets over goedheid of slechtheid van de mens. Meer over omstandigheden en wat mensen onder omstandigheden bereid zijn te doen of te verdragen.

Morgenavond gaan we weer herdenken en `nooit meer' zeggen en over moedige opofferingen praten, over vrede en rechten en tolerantie. Natuurlijk moet het daarover gaan – natuurlijk moet men blijven geloven in vrede en tolerantie en mensenrechten. Misschien moet je zelfs wel in de mens blijven geloven. In zijn vermogen tot goedheid. Dat vermoedelijk (hopelijk) niet kleiner is of minder ontwikkeld dan zijn vermogen tot slechtheid. ,,Er is nu eenmaal in de mensen een drang tot vernieling, een drang tot doodslaan, tot vermoorden en razen'', schreef Anne Frank ook al.

Maar ze schreef ook die andere passage: ,,en toch, als ik naar de hemel kijk, denk ik, dat alles zich weer ten goede zal wenden.'' Mensen weten niet waarom ze dat denken. Maar ze denken dat soms.