Nederland moet bedrijfsleven fatsoen leren

Veel meer dan nu moet Nederland internationale ondernemingen bewust maken van hun verantwoordelijkheid op het gebied van de mensenrechten, meent Lilian Gonçalves-Ho Kang You.

Mensenrechten en bedrijfsleven blijven een weerbarstige combinatie. Dat bleek de afgelopen weken in Genève. Tijdens de daar gehouden vergadering van de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties stond ,,maatschappelijk verantwoord ondernemen'' op de agenda.

Lidstaten bogen zich over ontwerpnormen van de VN voor multinationale bedrijven, die minimale verplichtingen van het bedrijfsleven omschrijven inzake de mensenrechten. De commissie besloot het onderwerp op de agenda te houden. Maar de tegenwerking van bedrijven was fel en de terughoudendheid van lidstaten groot.

In bedrijfskringen doen de VN-normen voor multinationale ondernemingen heel wat stof opwaaien. Ondernemersorganisaties zijn een felle campagne begonnen om het VN-initiatief de das om te doen. Die opstelling is zeer teleurstellend. Datzelfde geldt voor de afwachtende houding van de Nederlandse regering.

Het standpunt van de Nederlandse regering is, mede onder invloed van de krachtige lobby van het bedrijfsleven, weinig uitgesproken. Minister Bot van Buitenlandse Zaken heeft gezegd dat de Nederlandse regering uitgaat van bestaand beleid, aangevuld met vrijwillige initiatieven. De VN-normen passen daar niet in.

Die normen stellen dat staten de primaire verantwoordelijkheid voor mensenrechten hebben, maar dat bedrijven binnen hun eigen invloedssfeer verplicht zijn zich te onthouden van activiteiten die (in)direct mensenrechten schenden en bij moeten dragen aan bescherming van deze rechten. Bedrijven kunnen niet volstaan met zich aan de lokale wetgeving te houden, ze hebben een eigen verantwoordelijkheid op mensenrechtengebied. De VN-normen kunnen excessen voorkomen en creëren een level playing field – de kansen van bedrijven worden gelijkgetrokken, omdat voor ieder bedrijf dezelfde voorwaarden gelden.

Uiteraard is niet ieder internationaal bedrijf een schender van de rechten van de mens. Maar ieder bedrijf komt, opererend in landen als China, Afghanistan of Colombia, direct of indirect met schendingen van mensenrechten in aanraking. In Soedan worden toekomstige olieconcessies door het leger gebombardeerd om de bevolking te verjagen. Onder het personeel van beveiligingsbedrijven in een land als Colombia zitten mensen met een achtergrond in notoire militaire of paramilitaire eenheden. En in dat land `verdwijnen' vakbondsactivisten. Vakbondsvrijheid is er niet in China; en een internationaal bedrijf loopt er het risico (onwetend) spullen af te nemen uit gevangenkampen waar gedwongen arbeid regel is. Vrouwen worden in Saoedi-Arabië ook als werkneemsters bij wet gediscrimineerd.

De VN-normen stuiten op hevige oppositie van de Internationale Kamer van Koophandel (ICC) en de Internationale Werkgeversorganisatie (IOE). De ICC heeft onlangs samen met de IOE een uitgebreid document gepubliceerd waarin alle tegenargumenten verzameld zijn. Daarin stelt ze dat de normen het internationaal recht kromtrekken, omdat dat recht alleen voor staten zou gelden. Dat de normen vaag zijn en aanleiding geven tot willekeur. Dat ze aanzetten tot het gooien van modder naar het bedrijfsleven. Dat ze de positieve inbreng van het bedrijfsleven, zoals in economische groei en werkgelegenheid, miskennen.

Shell, als bedrijf bekend om haar duurzame imago, is volop betrokken in het uitdragen van het ICC-standpunt. De commissie Business in Society van het ICC wordt voorgezeten door Robin Aram, de vice-president van Shell op het gebied van externe relaties en beleidsontwikkeling. In een recent gesprek tussen Amnesty en Shell bleek dat het standpunt van Shell inderdaad grote overeenkomst vertoont met dat van het ICC. Amnesty had van Shell een positieve houding ten aanzien van de VN-normen verwacht. Ontbreekt het Shell aan moed? De moed om te erkennen dat wat het bedrijf zelf zegt na te streven, wel degelijk een relatie tot het internationaal recht heeft, waardoor officiële VN-beginselen op hun plaats zijn?

Of gaat het om iets anders: een onuitgesproken angst voor juridische gevechten en bindende normen in de toekomst? Uit de VN-normen vloeien niet vanzelfsprekend juridische verplichtingen voort – het zijn normen en het is geen verdrag. Veel mensenrechtenschendingen kunnen nu al onder internationaal en nationaal recht worden aangevochten. De normen maken hooguit de kans op vervolging van de `meest schrijnende' gevallen juridisch iets haalbaarder.

Ondanks de bedrijvenlobby hebben de regeringen in de VN-mensenrechtencommissie de voorgelegde normen niet van tafel geveegd of teruggestuurd naar de subcommissie die ze heeft opgesteld. Maatschappelijk verantwoord ondernemen lijkt definitief op de VN-agenda te zijn gezet. Ook is het bemoedigend dat bedrijven als Novartis, Barclays, ABB en National Grid Transco de handen ineen hebben geslagen en zijn begonnen de VN-normen te testen.

Het zou bedrijven sieren als ze de VN-normen in beginsel zouden omarmen. Zeker bedrijven als Shell die het `maatschappelijk verantwoord ondernemen' tot standaard hebben verheven, moeten niet de verdenking op zich laden dat ze met twee tongen spreken.

De Nederlandse regering zou zich krachtiger moeten uitspreken over de verantwoordelijkheid van internationale ondernemingen. Het past veeleer in de Nederlandse mensenrechtentraditie om betreffende dit onderwerp een actieve rol op zich te nemen. Eerder stelde ons land zich wel duidelijk op, zoals bij het aannemen van het antifolterverdrag, of bij de Nederlandse pogingen om het Internationaal Strafhof vlot te trekken. Ditmaal lijkt de koopman het van de dominee gewonnen te hebben.

Lilian Gonçalves-Ho Kang You is voorzitter van Amnesty International, afdeling Nederland.