Kinderverzet

De Tweede Wereldoorlog was voor kinderen een akelige maar tegelijk leuke tijd, waarin veel te beleven viel. Hoe een groepje schoolkinderen een Duits treintransport saboteerde.

Lezend in het boek We leven nog, waarin Bart van der Boom de stemming in bezet Nederland peilt aan de hand van dagboeken en daarbij en passant die rare Chris van der Heijden met zijn Grijs verleden stevig op z'n nummer zet, bladerde ik ook nog een beetje in Loe de Jong, want van het een komt het ander. En laat ik daar nu lezen dat ik in de oorlog heb meegedaan aan het kleuterverzet! Of meer precies aan het kinderverzet, want ik ben geboren in augustus 1936, dus toen de oorlog een beetje op streek kwam zat ik op de lagere school. Daar moesten we trouwens uit, want de Duitsers trokken er in, zij zetten hun paarden in onze gymnastiekzaal.

De oorlog was natuurlijk een akelige tijd, maar ook een leuke tijd (dat ga ik niet uitleggen). Zeker voor kinderen viel er een hoop te beleven. Want wat doen kinderen? Kinderen spelen en dat is een stuk spannender tussen een beetje chaos dan in een omgeving die keurig is aangeharkt.

Pal achter ons huis in Haarlem lag de fabriek van Beynes, een enorme loods van wel een paar honderd meter lang, waarin spoorwegwagons werden gebouwd. In de loop van de oorlog werd de fabriek stilgelegd, de arbeiders bleven ineens allemaal weg en nu was de fabriek van ons. Alle kranen en takels werkten nog en overal lag gereedschap. Dat was nog eens spelen! Halverwege in de loods stond op palen een houten kantoortje. Toen we daarin een keer tussen de bureaus aan het rondsnuffelen waren, werden we verrast door een ploeg Duitsers die in de fabriek beneden ons een partij plaatijzer kwamen opmeten. Wij kropen weg op een archiefzoldertje boven het kantoor en hebben ons daar schuilgehouden tot de Wehrmachtsoldaten weer waren vertrokken. De archiefrekken uit het zoldertje, van prachtig ongeverfd hout, hebben we er de volgende dag uit weggehaald en mee naar huis genomen. Jaren later heb ik er nog een kast van getimmerd.

In de fabriek lagen spoorrails, waarover de wagons die er waren gemaakt zo de loods uit konden rijden. Ze kwamen dan op een enorm rangeerterrein dat tegen een helling lag. Door langs die helling heen en weer te rijden en iedere keer een wissel om te gooien, kwamen de wagons tenslotte helemaal boven, waar meer naar achteren de sporen lagen van het gewone treinverkeer. Op het rangeerterrein en in de fabriek stonden overal kleine karretjes op de rails, die uit niet meer bestonden dan twee voorwielen en twee achterwielen en een minimale constructie om de twee assen bijeen te houden. Als je zo'n karretje van de rangeerhelling naar beneden liet rijden en je gooide de wissel om nadat de voorwielen waren gepasseerd maar voordat de achterwielen waren gepasseerd, dan ontspoorde het wagentje.

Ik kan me niet herinneren dat we vaak werden betrapt bij deze baldadigheid. Hoewel... op het emplacement stonden ook vaak afgedankte personentreinen geparkeerd. Ook daarin was het mooi spelen. Toen we een keer Wim P. hadden opgesloten in de wc van zo'n wagon, kwamen er Duitsers aan. Wij gingen er halsoverkop vandoor en vergaten ons vriendje, dat hevig op de deur bonsde. De Duitsers haalden hem er uit en lieten hem over het hoogste spoor voor zich uit naar het seinhuis lopen, dat verderop lag. Nog weer verder lag het station. Bij die wandeling naar het seinhuis, waar Wim de les werd gelezen, hielden de Duitsers een pistool op zijn rug gericht, ik denk om ons te imponeren. Wim was bij onze spelletjes altijd het slachtoffer, dat moest natuurlijk weer hem overkomen. Later is hij bij het Bloemendaalse strand in zee verdronken.

Hoog op het emplacement stonden ook wel eens geladen goederentreinen, Duitse transporten die daar stonden te wachten tot ze 's nachts hun reis konden beginnen. Wat ons bezielde kan ik niet meer achterhalen, maar laat in de middag, toen het al donker was geworden, waren wij bezig die wagons van elkaar los te koppelen. Daarbij werden we betrapt. Naar beneden rennend over het rangeerterrein maakten wij ons uit de voeten. Over één van de rails kwam ik voorover ten val. Terwijl ik opkrabbelde keek ik om. Tussen twee wagons stond een Duitser in uniform die ons met een rood hoofd van kwaadheid nakeek. In zijn rechterhand hield hij een pistool op ons gericht. Toen kon ik ook de knallen thuisbrengen die ik had gehoord. We kwamen allemaal heelhuids thuis (Wim P. zal er wel niet bij zijn geweest), waar wij op de vraag van onze moeders `Wat hebben jullie gedaan?', ongetwijfeld het klassieke kinderantwoord zullen hebben gegeven: `Gespeeld.' Maar de volgende dag vonden we in een bielzen schutting waar we langs waren gerend wel degelijk een kogel zitten.

Loe de Jong schrijft dat ,,een aanslag op de constructiewerkplaats voor spoorwegwagons van de firma Beynes te Haarlem door een communistische sabotagegroep mislukte''. Dat moet in de winter van '41-'42 zijn geweest. Nooit geweten. En dan staat er: ,,Wel kon men met goed gevolg sabotage bedrijven aan spoorwegwagons die op de emplacementen stonden (Haarlem, Den Haag, Tilburg en Twente).''

Zo kwam het dat ik dit stukje schreef.