Hotelbrand

De neusvleugels van Sjeng Schalken trilden. Rook.

Je bent veertiende op de wereldranglijst, je vrouw ligt naast je in het hotelbed, je bijeengeslagen salaris staat op de bank, kortom, het leven is mooi en dan ruik je brand. Het besef kwam snel: de tennisser lag op de zevende verdieping in een vijfsterrenhotel. Wegwezen.

Schalken wist met zijn vrouw het dak te bereiken en werd na anderhalf uur ontzet. `Ik dacht, we gaan eraan', zei Schalken. Drie hotelgasten vonden de dood.

In hotel Parco dei Principi sliepen nog meer grote tennissers: Safin, Roddick, Haas. Zij wisten te ontkomen. Met aan elkaar geknoopte lakens, met natte handdoeken tegen de rook, met sprongen van balkon naar balkon. Je moet het maar doen, met de slaap nog in je ogen. Doodsstrijd maakt het beste in je los.

Verblijven sporters in goede, veilige hotels? Het antwoord is vaak `nee'. Modale sporters slapen soms waardeloos. De Belgische tennisser Filip Dewulf schreef in zijn biografie over hotelkamers. In Oezbekistan moest hij op een met hooi gevulde juten zak slapen. Droog hooi, dat ontvlamt al bij een natte droom. In de ochtend moest hij zich afdrogen met handdoeken waar je doorheen kon kijken, ze stonken bovendien naar een goedje waarmee je ongedierte bestrijdt. Zo'n hotel dus.

Tijdens de Tour de France van 2000 kreeg ik te horen dat het hotel waar wij journalisten zouden slapen niet meer bestond. Het was een paar uur eerder afgefikt. We werden geplaatst in een houten chalet in de bergen. Aan de balie schreef ik me in. Links van me hoorde ik een Italiaanse stem, ik keek nieuwsgierig opzij: Francesco Moser. De grijsgeworden campionissimo liep voor mij uit met zijn koffer. We namen een smalle trap. Bij de tweede verdieping wilde hij afslaan; het lukte niet. Ik kreeg het benauwd. Als een trucker stak Moser met zijn koffer achteruit, vooruit, weer achteruit, nog één korte steek en daar draaide hij het gangetje in.

In het restaurant zat de Polti-ploeg aan de pasta. Richard Virenque draaide zijn vork rond in het bord. Aan dezelfde tafel zat Jeroen Blijlevens te overdenken waar zijn sprint was gebleven. Ik keek naar de etende Moser. Hij lachte met bevriende Italianen. Oud-renners? Magni? Bevilacqua?

Tegen tienen ging iedereen naar bed. Ik liep het smalle trapje op. Overal zag ik groene uit-bordjes opdoemen. De muren van mijn kamer waren van triplex, afgewerkt met licht ontvlambaar bloemetjesbehang. Op de deur hing een vluchtroute met onbegrijpelijke pijltjes, in geval van brand. Nou, in geval van brand, ging je hier gewoon hartstikke dood.

Ik sliep recht boven Moser. Ik hoorde hem rommelen. Misschien deed hij pushups. Undici, dodici, tredici. Of meende hij in een bruine vochtplek op het plafond het figuur van de receptioniste te zien. Ik bedoel, het leven van de reizende sportman is soms eenzaam.

Als er één hotel met sporters had kunnen afbranden, was het dit chalet in de Franse Alpen. In feite was het overnachten een oefening in grafkist-liggen. Ik herinner me dat de spoelbak onophoudelijk druppelde. Daar kun je gek van worden. Maar goed, liever lopend wc-water dan een plotselinge brand. De volgende ochtend aan het ontbijt hing een gevoel van opluchting in de eetzaal. De Tour ging weer verder, die dag.

Schalken staat deze week op de baan in Rome. De ontsnapping aan de dood is nog niet uit zijn hoofd verdwenen. Ik zie hem in het nieuwe hotel niet aan acht uur nachtrust toekomen.

Sjeng is een dagje ouder geworden. Wie zijn eigen dood voor ogen zag, is een stap verder in het leven. Het sterkt je. Schalken gaat nog veel winnen.