Hoofdredacteur

Het vak van hoofdredacteur van een dagblad heeft minder benijdenswaardige kanten dan de buitenwacht vaak denkt. Zeker in deze moderne tijden waarin de concurrentie van andere media heftig is. Hoofdredacteuren praten daar in het openbaar niet graag over, ze zijn liever boodschapper dan veroorzaker van het nieuws.

Howell Raines, de ex-hoofdredacteur van The New York Times, hoefde niet langer te zwijgen. In het meinummer van het tijdschrift The Atlantic Monthly heeft hij onder de titel My Times een buitensporig lang essay geschreven, waarin hij de achtergronden van zijn vertrek schetst. Het is een artikel dat zowel voor journalisten als niet-journalisten leerzaam is, omdat Raines nauwgezet het haperende mechanisme van een onderneming-in-verval beschrijft.

Iedereen weet dat er iets moet gebeuren om het tij te keren, maar niemand onderneemt iets omdat handhaving van de status-quo het eigenbelang op korte termijn beter dient. Zo kan een bedrijf, zelfs een instituut als The New York Times, naar zijn ondergang sukkelen, suggereert Raines.

Hij moest als hoofdredacteur opstappen omdat het bedrog van de jonge verslaggever Jayson Blair hem werd aangerekend. Blair bleek op grote schaal hele reportages bij elkaar gefantaseerd en gestolen te hebben. Er waren al langer binnen de redactie verdenkingen tegen Blair gerezen, maar die waren om onduidelijke redenen nooit tot Raines doorgedrongen.

Raines koos ervoor zijn lezers via een reconstructie zo volledig mogelijk in te lichten over het schandaal, wat hem door een aantal invloedrijke ondergeschikten niet in dank werd afgenomen. Drie dagen na publicatie van dat artikel werd hij op een plenaire redactievergadering afgeschoten. Kort daarna adviseerde zijn uitgever hem af te treden: er was al `te veel bloed op de vloer'.

Volgens Raines ging achter het Blair-schandaal een richtingenstrijd schuil tussen met name `de newsroom' de afdeling die het nieuws bewaakt en de hoofdredactie. Raines, in 2001 aangetreden als hoofdredacteur, wilde ingrijpende veranderingen doorvoeren die tal van gevestigde posities zouden hebben aangetast.

Hij trof een ingeslapen organisatie aan, schrijft hij. Er heerste een sfeer van zelfingenomenheid en gezapigheid. ,,Iets is pas nieuws als wij zeggen dat het nieuws is'', was een veel beleden credo. Binnenlandse correspondenten reisden vaak liever niet naar gebeurtenissen (één van hen zei dat hij meer aan internet had), jonge, talentvolle verslaggevers rustten al snel op hun lauweren. Het was ongebruikelijk om kritiek op elkaars werk te leveren.

Raines contateerde dat zijn redactie op allerlei terreinen tekortschoot. De moderne krant moet veel meer dan louter nieuws brengen, vond hij, maar juist zijn redacties kunst, vrije tijd en reizen waren allang niet meer toonaangevend. Een enorm potentieel aan lezers, zowel intellectuelen als nieuwe immigranten, werd niet bereikt. Mogelijkheden om via internet, televisie en boekpublicaties het publiek te verbreden, bleven onbenut.

Zo lucht Raines zijn hart. Ontslagen topfunctionarissen zouden vaker hun mond moeten opendoen. Weg met die gouden handdruk!