Die Walküre de derde keer nog beter gezongen

Alweer zes jaar geleden bracht de Nederlandse Opera de première van Die Walküre, het tweede deel ofwel de 'erster Tag' uit Wagners tetralogie Der Ring des Nibelungen in de wel als 'design-Ring' omschreven enscènering van regisseur Piere Audi, decorontwerper George Tsypin en kostuumontwerper Eiko Ishioka. In de zomer van 1999 werd de cyclus vier keer in zijn geheel geproduceerd. Tot en met mei 2005 worden de delen nu in een onlogische volgorde opnieuw hernomen, complete cycli volgen najaar 2005.

In veel opzichten vormt Die Walküre het menselijk hart van Wagners mythische vierluik. Met Die Walküre neemt de handeling een vlucht en blijken goden menselijk in hun verlangens, hebbelijkheden en frustraties. Die Walküre toont de complexiteit van het personage van oppergod Wotan, de machtsbeluste geilaard die in zijn liefde voor bastaardzoon Siegmund en eveneens buiten het echtelijk bed verwekte lievelingsdochter Brünnhilde kwetsbaar is. Daarnaast betekent de `eerste dag' óók de bezegeling van de hartstochtelijke, verdoemde tweelingenliefde van Wotans bastaardkinderen Sieglinde en Siegmund, waaruit de held Siegfried wordt geboren.

In het eenheidsdecor van George Tsypin is het Nederlands Phiharmonisch Orkest geen onzichtbare factor, zoals Wagner wilde, maar organisch onderdeel van een enorme houten schijf. De uit losse `ringen' opgebouwde discus doet dienst als Walhalla, woud en piste voor de strijd tussen Hunding en Siegmund, maar is óók een treffende verbeelding van de oer-Es, van de cyclische menselijke levensloop, van de mythische wereldschijf en van de Ring die de motor is van Der Ring des Nibelungen.

Het is de grote kracht van Tsypins decor en Audi's regie dat zulke symbolische polyfonie overal wordt gesuggereerd, maar zelden wordt geëxpliciteerd. Integendeel, deze productie van Die Walküre is een triomf van tijdloze mythische tover en esthetische eenvoud.

Een lust voor het oog zijn en blijven niet alleen de als nijdige wespen over de vlammende wereldschijf zoevende Walküren met hun art deco-vleugeltjes, maar is ook de scène waarin Siegmund wordt geveld, en de lucht kort bloedrood kleurt. Audi en Tsypin gaan steeds uit van de mythe en laten Wagners politieke allegorie allegorisch. Slechts details tonen duiding. Waar Wotan zijn dochter Brünnhilde mild straft voor haar ongehoorzaamheid, pelt hij zijn rode jas af opdat een witte pij met halfdode boom tevoorschijn komt. De `godenschemering' is bezegeld, al laat Götterdämmerung nog lang op zich wachten.

Als deze heropvoering van Die Walküre typerend is voor de kwaliteit van de hele tweede reprisecyclus, wacht een memorabel seizoen. Ten opzichte van de oorspronkelijke productie, is de cast in Die Walküre voor een belangrijk deel vernieuwd en zelfs verbeterd. De opmerkelijkste, gloriërende nieuwkomers zijn sopraan Charlotte Margiono, die een roldebuut maakt als Sieglinde en Albert Dohmen, die als Wotan de plaats inneemt van John Bröcheler.

Margiono geeft stralend, kwetsbaar en zonder belemmeringen gestalte aan de gekwelde Sieglinde. Maar ook theatraal is haar Sieglinde van een groot invoelingsvermogen. Waar de muziek de vreugde, verwarring en vertwijfeling schetst die Sieglinde overvallen als zij haar tweelingbroer herkent, doet Margiono's gezichtsuitdrukking dat óók – totdat een spectaculair karretje met vuur de verlossing van een liefdesnacht inluidt.

In vergelijking met John Bröcheler is Albert Dohmen een strenge, veel minder broze Wotan, wiens krachtige uitroep `Nur eines will ich noch: das Ende!' duidelijk maakt dat hij voor dat einde nog lang niet rijp is. Dohmens Wotan kent geen vocale beperkingen, waardoor zowel zijn scènes met Fricka als Brünnhilde muzikale hoogtepunten zijn.

In de confrontatie tussen Brünnhilde en Wotan schuilt ook voor dirigent Hartmut Haenchen het hart van Die Walküre, en dat maakt hij hoorbaar in een eveneens tamelijk strenge, lyrische en nergens overuitbundige uitvoering - zelfs niet in de hier erg beschaafde Walkürenritt. Het uitstekend spelende Nederlands Philharmonisch Orkest zorgt wel voor de nodige zinnelijkheid in de liefdesscène tussen Siegmund en Sieglind, maar Haenchen bewaart zijn verzengendste orkestrale zuchten bewust voor de scène tussen Wotan en Brünnhilde. Aan die loodzware rol geeft de kernachtig en rond zingende Linda Watson geloofwaardig, ronkend en uitgesproken energiek, gestalte waardoor de krijgslust van haar Hojotoho!-uitroepen bijna beangstigende proporties aanneemt. Nieuw is ook Doris Soffel (Fricka), voorbeeldig in de grimmige, grauwende lage noten waarmee ze Wotan terecht terechtwijst.

Naast Reinhild Runkel, de Fricka van '98 en '99 die Doris Soffel nu afwisselt, zijn gebleven de Amerikaanse tenor John Keyes als een krachtige en heroïsche Siegmund, die slechts in zijn lentelied (`Winterstürme wichen dem Wonnemond') naar iets meer tederheid doet verlangen. Kurt Rydl (Hunding) zingt opnieuw voorbeeldig rauw en mannetjesputterig potent. Hij zal later in Götterdämmerung terugkeren als Hagen.

Een geweldige nevenattractie is en blijft de zeldzaam zorgvuldige boventiteling door Janneke van der Meulen, die Wagners gestaalde stafrijm precies zo stadig stoer laat stralen als deze indrukwekkende voorstelling verdient.

Voorstelling: Die Walküre van R. Wagner door de Nederlandse Opera en Ned. Philharmonisch Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Gezien: 1/5 Muziektheater Amsterdam. Herh. t/m 21/5 (uitverkocht). Inl.: www.dno.nl of (020) 6255455.